De Belastingdienst mocht eerder verleende teruggaven van in totaal ruim € 3,7 miljoen naheffen, oordeelt het hof. Ook een beroep op eerdere toezeggingen van de fiscus strandt.
In de zaken draaide het om naar Canadees recht opgerichte trusts die volgens hun trustaktes pensioenregelingen uitvoerden voor werknemers. De fondsen vroegen tussen 2013 en 2015 teruggaaf van Nederlandse dividendbelasting aan op grond van artikel 10 Wet DB. Die verzoeken werden aanvankelijk gehonoreerd.
Na nader onderzoek concludeerde de Belastingdienst echter dat de trusts geen passieve pensioenfondsen waren, maar actief dividendarbitrage bedreven via zogenoemde reverse cash-and-carry-constructies. Vervolgens werden naheffingsaanslagen opgelegd. In de drie uitspraken ging het om € 209.720, € 1.717.830 en € 1.817.563 aan nageheven dividendbelasting, met daarnaast belastingrente van respectievelijk € 43.380, € 340.187 en € 361.817.
Eén deelnemer, omvangrijke posities
Het hof beschrijft hoe de fondsen opereerden. De trusts hadden telkens slechts één deelnemer aan de pensioenregeling. Werknemers mochten zelf geen premie betalen; alleen de werkgever droeg verplicht bij. In 2015 ging het in de verschillende zaken om pensioeninleg van CAD $ 3.600 of CAD $ 5.400.
Daartegenover stonden omvangrijke effectenposities. Een trust hield via een Londense broker een longpositie in Duitse aandelen van meer dan € 251 miljoen aan, afgedekt met shortposities in derivaten. In een andere zaak bleek uit trading account statements bij een Ierse instelling dat per 1 juni 2015 een closing balance van ruim € 1,5 miljoen en een cleared balance van ruim € 27,2 miljoen openstonden.
Ook de kostenstructuur woog mee. De trusts betaalden hoge bedragen aan samenwerkingspartners binnen de zogenoemde A-groep, waarvan dezelfde uiteindelijk gerechtigde aan het hoofd stond. In één zaak was de trust op grond van de samenwerkingsovereenkomst in 2014 ruim CAD $ 2,1 miljoen verschuldigd aan de asset manager; in een andere zaak ging het dat jaar om ruim CAD $ 1,8 miljoen.
Het hof acht daarom bewezen dat de trusts actief deelnamen aan het economische beursverkeer en feitelijk een commerciële/professionele effectenhandel en arbitrageonderneming dreven. Daarmee voldeden zij niet aan de vrijstelling voor pensioenlichamen in artikel 5 Wet Vpb en evenmin aan de werkzaamhedentoets uit artikel 3 Uitvoeringsbesluit vennootschapsbelasting 1971.
Eerdere arbitragezaak
Het hof legt een verband met eerdere procedures rond een stichting waarvan al vaststond dat zij een arbitrageonderneming dreef en daarom niet als vrijgesteld pensioenfonds kwalificeerde. Een betrokkene bij de Canadese trusts verklaarde tijdens de zitting dat de activiteiten dezelfde waren als die van die stichting. Het hof neemt die verklaring expliciet mee in het oordeel.
Geen bescherming door eerdere toezeggingen fiscus
Het beroep op het vertrouwensbeginsel dat de Canadezen deden mislukt, ondanks uitgebreide correspondentie met de Belastingdienst. De trusts hadden al in 2013 vooraf contact gezocht met de fiscus over toepassing van artikel 10 Wet DB. Een inspecteur bevestigde destijds schriftelijk dat de lichamen kwalificeerden voor teruggaaf van dividendbelasting. Ook later werden bezwaren gegrond verklaard en teruggaven alsnog verleend.
Toch oordeelt het hof dat de trusts daar geen beroep op kunnen doen. Volgens het hof waren de inspecteurs nooit volledig geïnformeerd over de feitelijke activiteiten van de fondsen. In de contacten met de fiscus werd vooral gewezen op de juridische structuur en de Canadese pensioenstatus, maar niet op de omvangrijke dividendarbitrageactiviteiten.
Het hof rekent dat mede toe aan de betrokken belastingadviseur. Die had volgens het hof moeten begrijpen dat de inspecteur zonder informatie over de feitelijke werkzaamheden onmogelijk kon beoordelen of werkelijk aan de voorwaarden voor de Nederlandse pensioenfondsvrijstelling werd voldaan. Daarbij weegt het hof mee dat de adviseur bekend moet zijn geweest met eerdere jurisprudentie waarin vergelijkbare arbitrageactiviteiten al waren afgewezen.
Ook beroep op Unierecht faalt
De trusts voerden daarnaast aan dat het Unierecht zich tegen naheffing verzette. Volgens hen werden buitenlandse pensioenlichamen zwaarder belast dan vergelijkbare Nederlandse lichamen, omdat Nederlandse vennootschapsbelastingplichtigen dividendbelasting kunnen verrekenen.
Het hof gaat daar niet in mee. De trusts hebben volgens het hof niet aannemelijk gemaakt dat sprake was van een hogere effectieve belastingdruk dan bij een vergelijkbare Nederlandse belastingplichtige. Een aangekondigde drukvergelijking werd niet overgelegd. Dat het resultaat in Canada verplicht aan de pensioenreserve moest worden toegevoegd, betekent volgens het hof op zichzelf nog niet dat voor de Nederlandse fiscale winstbepaling sprake is van kosten die direct verband houden met de dividenden.
Wettelijke basis voor naheffing aanwezig
Verder bevestigt het hof dat de Belastingdienst mocht naheffen bij de trusts zelf, ook als zij uiteindelijk niet als opbrengstgerechtigde of uiteindelijk gerechtigde tot de dividenden zouden gelden.
Volgens het hof biedt artikel 20 AWR daarvoor voldoende grondslag: naheffing kan plaatsvinden bij degene aan wie ten onrechte teruggaaf is verleend. Dat de trusts mogelijk formeel niet de uiteindelijke gerechtigden waren, maakt dat niet anders.
In twee van de drie zaken vernietigt het hof eerdere oordelen van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, die de naheffingen juist had geschrapt. In de derde zaak bevestigt het hof de uitspraak van de rechtbank, die de naheffingen al in stand had gelaten.
ECLI:NL:GHSHE:2026:1261, ECLI:NL:GHSHE:2026:1262 & ECLI:NL:GHSHE:2026:1263


Geef een reactie