Dat blijkt uit de nota naar aanleiding van het tweede verslag, die de Eerste Kamer, die eind mei nog met de dilemma’s rond box 3 worstelde, heeft ontvangen.
Het wetsvoorstel beoogt box 3 vanaf 2028 te belasten op basis van werkelijk rendement via een vermogensaanwasbelasting. Daarbij worden ook ongerealiseerde waardestijgingen jaarlijks in de heffing betrokken. Voor onroerende zaken en aandelen en winstbewijzen in startende ondernemingen voorziet het huidige wetsvoorstel al in een vermogenswinstsystematiek, waarbij pas belasting wordt geheven bij realisatie.
Tussenstap
Het kabinet noemt de vermogensaanwasbelasting tijdelijk. In het coalitieakkoord is afgesproken om het stelsel zo snel mogelijk door te ontwikkelen naar een volledige vermogenswinstbelasting. Die wens is ook in de Tweede Kamer uitgesproken via moties.
Toch wil het kabinet het voorliggende wetsvoorstel niet laten wachten op die volledige overstap. De vermogensaanwasbelasting blijft volgens het kabinet een tussenstap voor de korte termijn. De doorontwikkeling naar een vermogenswinstbelasting wordt niet afhankelijk gemaakt van de evaluatie die binnen drie jaar na invoering moet plaatsvinden. Ook een horizonbepaling vindt het kabinet niet nodig.
Volgens het kabinet zijn de eerste gesprekken met externe stakeholders en ketenpartners over een volledige vermogenswinstbelasting begonnen. Ook worden de budgettaire gevolgen en aandachtspunten rond uitvoerbaarheid en wetgeving in kaart gebracht. De Eerste Kamer krijgt later een brief met een concrete planning. De eerste stap wordt een hoofdlijnenbrief over de vormgeving van een volledige vermogenswinstbelasting. Parallel daaraan werkt het kabinet aan een ontwerpwetsvoorstel.
Geen volledige vermogenswinstbelasting per 2028
Een bredere vermogenswinstbelasting per 1 januari 2028 is volgens het kabinet niet mogelijk. De overstap vraagt niet alleen om aanpassing door financiële instellingen, maar ook om een wetgevingstraject en implementatie bij de Belastingdienst.
De Nederlandse Vereniging van Banken heeft volgens het kabinet steeds aangegeven dat een vermogensaanwasbelasting eenvoudiger en sneller te realiseren is dan een vermogenswinstbelasting. Wel ondersteunt de NVB de wens om zo snel mogelijk over te stappen naar een vermogenswinstbelasting. Daarbij spelen nog uitwerkingsvragen, zoals de dataoverdracht bij een overstap naar een andere bank.
Voor het huidige wetsvoorstel blijft 2028 wel het uitgangspunt. De VVD vroeg of inwerkingtreding per 1 januari 2028 nog haalbaar is, mede door mogelijke aanpassingen aan het wetsvoorstel en afhankelijkheden met ketenpartners. Het kabinet antwoordt dat de ingangsdatum haalbaar moet blijven en zegt geen voorstellen te zullen doen die ertoe leiden dat het wetsvoorstel niet meer per 2028 kan ingaan.
Gegevenslevering op schema
De gegevenslevering door banken en andere financiële instellingen is volgens het kabinet van groot belang voor de uitvoerbaarheid van het nieuwe stelsel. De Belastingdienst voert daarover overleg met de sector. De implementatie van de gegevensaanlevering duurt ongeveer achttien maanden en ligt volgens het kabinet op schema.
Wel heeft de invoering van het nieuwe box 3-stelsel gevolgen voor de ICT-agenda van de Belastingdienst. De implementatie vraagt ingrijpende wijzigingen in de geautomatiseerde ondersteuning van de aangifte inkomstenbelasting. Daardoor kunnen enkele procesverbeteringen pas op zijn vroegst in 2029 worden doorgevoerd. Ook resteert in 2029 minder ruimte voor andere wijzigingen in de inkomstenbelasting.
Geen tijdelijke bronheffing
Een tijdelijke bronheffing naar Duits voorbeeld ziet het kabinet niet als realistisch alternatief. Zo’n systeem zou veel vragen van banken en andere financiële instellingen, die hun IT-systemen en administratie zouden moeten aanpassen. Ook de Belastingdienst zou systemen moeten wijzigen.
Daarbij wijst het kabinet erop dat een bronheffing alleen kan zien op vermogen dat bij banken of financiële instellingen wordt aangehouden. Ander vermogen, zoals roerende en onroerende zaken, rechten op zulke zaken en vorderingen in familieverband of tussen gelieerde personen, valt daar niet onder. Daarom vindt het kabinet een tijdelijke bronheffing geen geschikt alternatief voor de overgangsperiode.
Aanpassingen via augustusbesluitvorming
Het kabinet onderzoekt nog mogelijke aanpassingen aan het voorliggende wetsvoorstel. Die aanpassingen en de budgettaire dekking daarvan wil het kabinet betrekken bij de augustusbesluitvorming. Als maatregelen tot een derving leiden, moet ook dekking worden gevonden.
Het kabinet streeft naar een wetsvoorstel waarin alleen de aanpassingen aan de Wet werkelijk rendement box 3 en de bijbehorende dekking zijn opgenomen. Dat wordt echter niet gegarandeerd. Voor de volledige overstap naar een vermogenswinstbelasting is volgens het kabinet in ieder geval een eigenstandig wetstraject nodig.
Een van de onderzochte aanpassingen is achterwaartse verliesverrekening van één jaar vanaf 1 januari 2029. Volgens het kabinet zijn mogelijke aanpassingen vooral bedoeld om de effecten van de vermogensaanwasbelasting per 2028 bij te stellen en daarmee voldoende maatschappelijk en politiek draagvlak te realiseren.
Rente op consumptieve schulden
De nota bevat ook concrete fiscale aandachtspunten voor adviseurs. Zo bevestigt het kabinet dat alle schulden die niet in box 1 of box 2 in aanmerking worden genomen, kwalificeren als box 3-schuld. Daarbij wordt in box 3 geen onderscheid gemaakt naar de feitelijke besteding van het geleende geld.
Dat betekent dat ook rente op schulden voor bijvoorbeeld een auto of caravan aftrekbaar is. Volgens het kabinet zou een onderscheid tussen soorten schulden het stelsel aanzienlijk complexer maken en leiden tot discussies over de toerekening van schulden. Wel zijn gemengde kosten uitgesloten van kostenaftrek.
Kabinet houdt vakantiewoning in box 3-grondslag
Ook de vastgoedbijtelling blijft ten slotte onderwerp van discussie. Het kabinet deelt niet de opvatting dat bij een vakantiewoning die uitsluitend voor eigen gebruik wordt benut geen belaste bron van inkomen aanwezig is. Het wetsvoorstel maakt volgens het kabinet geen onderscheid tussen een tweede woning met een rendementsdoelstelling en vastgoed dat vooral voor privégebruik wordt aangehouden.
Over de actualisering van het vastgoedbijtellingspercentage en de behandeling van vakantiewoningen komt het kabinet later terug. Daarbij verwijst het kabinet naar aangenomen moties over het actualiseren van het percentage en aanvullend onderzoek naar rendementen op vakantiewoningen in eigen bezit. Het kabinet gaat daar op Prinsjesdag nader op in.


Het is opvallend om te constateren dat tot op heden en ook in de nota van 12 juni door de regering geen publiekelijk controleerbare simulaties zijn gedaan op basis van historische data voor meerjarige perioden.
Dat ondanks dat een fractie daarom heeft gevraagd.
Simulaties op basis van historische data (zoals met name de referenties en de weging in de wet vanaf 2017) over periodes van meer jaren passend binnen de periode vanaf eind 2000 (zolang box 3 bestaat) tot bijvoorbeeld eind 2024 zijn echter wel degelijk mogelijk.
Daarbij moet het met name gaan om de koopkracht na betaling van belasting ten opzichte van de ingelegde koopkracht.
Daarbij wordt dus rekening gehouden met inflatie en de kosten.
Daarbij kan in ieder geval de bestaande wet zichtbaar worden gemaakt en uiteraard de voorliggende wet.
Daarnaast zijn varianten mogelijk.
De referenties uit de wet op zich (dus niet de vreemde formules) kunnen worden beschouwd als een gemiddelde. Hetzelfde geldt voor de weging.
Als de uitkomsten op basis van deze gemiddelden zorgen oproepen zal dat al gelden voor ten minste 50% van de belastingbetalers en dat is ruim genoeg om iets niet door te zetten.
Zie mijn reactie bij het Accountancy Vanmorgen artikel “Felle discussie box 3-hervorming: zorgen over belasting op papieren winst en kapitaalvlucht” van 20 februari 2026.
Die reactie gaat over simulaties met data van 24 jaar Box 3 vanaf eind 2000 en van 8 jaar Box 3 vanaf eind 2016.
De bestaande wet (zonder tegenbewijs) heeft voor beleggers in aandelen en obligaties gemiddeld een flink koopkracht verlies ten opzichte van hun inleg veroorzaakt ondanks de lange periodes van 24 en 8 jaar.
Als de wet tegenbewijs zou hebben gegolden vanaf eind 2016 dan zou het “Resulterend belastingpercentage” voor de periode van 8 jaar gemiddeld uitkomen op een verwaarloosbaar netto koopkracht rendement
Dat geeft een indicatie voor dit jaar en de komende jaren dat er nog geen andere wet van kracht is.
Uit simulaties op basis van historische data blijkt dat het belasten volgens de voorliggende “Wet werkelijk rendement box 3″ er toe leidt dat beleggers in aandelen en obligaties gemiddeld koopkracht verliezen ten opzichte van hun inleg.
Dat komt met name omdat deze wet is gebaseerd op het nominale werkelijke rendement en dus geen rekening houdt met inflatie.
In de Memorie van Toelichting wordt onderkend dat het belasten van het reële werkelijke rendement het beste aansluit bij het draagkrachtbeginsel. Echter om met name budgettaire redenen is daar niet voor gekozen.
Het is daarbij ook relevant om te kijken naar de complexiteit en het aantal jaren dat er geen belasting wordt geheven.
Bij de voorliggende wet wordt er van de 24 jaren in slechts 11 jaren belasting geheven en dus 13 jaren niet en van de 8 jaren in slechts 5 jaren en dus in 3 jaren niet. In de jaren met belastingheffing wordt er relatief veel belasting geheven.
Een Belastingwet moet in de eerste plaats rechtvaardig zijn en dat ook als een aanpassing, om daaraan te gaan voldoen, minder budget oplevert binnen hetzelfde onderdeel van de wet.
In het advies van de Raad van State van maandag 2 december 2024 wordt geadviseerd om de budgettaire neutraliteit als uitgangspunt los te laten waardoor ruimte ontstaat om tot box 3-alternatieven te komen (blad 19).
Verder wordt aangegeven dat binnen de eisen van artikel 14 EVRM en 1 EP EVRM en de door de Hoge Raad daarover gewezen arresten een forfaitair stelsel gebaseerd op laagrisico rendementen kan worden overwogen (blad18).
De reële rendementen vóór belasting zijn vaak veel lager dan verondersteld.
Ook moet het niet steeds ingewikkelder worden maar juist eenvoudiger.
Op grond daarvan kan worden gedacht aan een vaste belastingheffing op basis van de 1 januari vermogens.
Op basis van de simulaties kan bijvoorbeeld worden gekozen voor een belastingheffing voor beleggen van 0,40%.
Aangezien sparen al jaren op een negatief reëel rendement uitkomt kan daarvoor een belastingheffing van 0% worden aangehouden.
Daarmee ontstaan twee eenvoudige tarieven op basis van het vermogen per 1 januari: 0% voor sparen en 0,40% voor beleggingen.
Een jaarlijks bij te stellen mogelijkheid is om terug te gaan naar de oorsprong van Box 3 met één forfaitair rendement voor alle Box 3 posten. Dat is op basis van de reële rendementen van de jongste tienjarige Nederlandse staatsobligaties minus 1% kosten. Dat kan bijvoorbeeld ook elk belastingjaar gemiddeld worden over de voorgaande 10 jaar.
Er is dan in feite gemiddeld budget neutraliteit met een deel van de staatsschuld. Als de rente op de staatsschuld stijgt, stijgen ook de inkomsten uit Box 3 en omgekeerd. Dat geldt ook reëel. Het is ook niet redelijk dat de staat een hoger reëel forfaitair rendement kiest voor haar burgers dan dat zijzelf uitkeert op staatsobligaties.
Belasten met één forfaitair rendement voor beleggen sluit ook aan op de plannen van de Europese Unie om investeringen door particulieren aan te moedigen en het door haar genoemde voorbeeld van de Zweedse “Investment Savings Account” (ISK). Het geeft de belastingbetaler voorspelbaarheid en rust. Dat geldt ook voor de belastingontvanger.
Zolang een betere wet er niet is, geldt dus de bestaande situatie met tegenbewijs die in feite al gemiddeld veel te zwaar belast voor beleggen in aandelen en obligaties, laat staan dat deze eerdere verliezen door overmatige belastingheffing compenseert.
Het argument dat de voorliggende Wet werkelijk rendement Box 3 nodig is omdat er anders budget verlies optreedt is niet verdedigbaar op grond van rechtvaardigheid en het is ook de vraag of de genoemde bedragen werkelijk zo hoog zijn.
Zal de Eerste Kamer gezien de genoemde bevindingen en de mogelijkheid om ruimte te maken voor een echt rechtvaardigere en eenvoudigere wetgeving tegen de Wet werkelijk rendement Box 3 stemmen?