De rechtbank oordeelde eerder dat er sprake was van een fraudeconstructie waarbij tussen 2013 en begin 2016 voor miljoenen euro’s aan valse facturen werd ingediend voor niet-geleverde diensten. Nadat de accountant onregelmatige facturen had geconstateerd, liet RST nader onderzoek verrichten door Deloitte en werd aangifte gedaan. Vervolgens startte de FIOD een strafrechtelijk onderzoek.
Volgens het OM speelde interim-projectmanager Fabian V. een centrale rol bij de fraude. Hij zou in drie jaar tijd ongeveer 315 valse facturen hebben laten versturen voor een totaalbedrag van circa 2,6 miljoen euro. Met de opbrengsten werden onder meer luxe horloges, designerkleding, elektronica, vakanties en andere privé-uitgaven bekostigd.
De verdachte werd in 2020 samen met twee andere medewerkers van RST veroordeeld wegens oplichting en gewoontewitwassen. De rechtbank legde toen celstraffen op van 33, 24 en 20 maanden. Ook in een civiele procedure werden de betrokkenen aansprakelijk gehouden voor de schade. Daarbij werd geoordeeld dat zij hoofdelijk aansprakelijk zijn voor 85 procent van de door RST geleden schade, goed voor een bedrag van ruim 2,5 miljoen euro.
Hoger beroep
Tijdens de behandeling van het hoger beroep herhaalde de voormalige interim-manager zijn eerdere verweer dat binnen RST sprake was van een bedrijfscultuur waarin privé-uitgaven via het bedrijf werden betaald. Daarover schrijft het FD, dat bij de zitting aanwezig was. Volgens Fabian V. was het bedrijf “doordrenkt met schimmige betalingen” en was het management op de hoogte van de gang van zaken. Ook stelde hij dat anderen het initiatief namen en hij slechts uitvoerde wat hem werd opgedragen.
Dat verweer sluit aan bij een eerdere civiele procedure waarin de veroordeelde fraudeurs probeerden aan te tonen dat binnen RST sprake was van een bredere cultuur van zelfverrijking. In dat kader vorderden zij onder meer interne stukken en correspondentie tussen RST en KPMG naar aanleiding van de accountantscontrole die de fraude aan het licht bracht. Het gerechtshof Den Haag wees die verzoeken vorig jaar af. Volgens het hof hadden de fraudeurs onvoldoende concrete aanwijzingen aangevoerd dat RST bewust informatie over andere misstanden had achtergehouden. Het hof kwalificeerde het verzoek daarom als een “fishing expedition”.
Ook in de strafzaak ziet het OM geen aanwijzingen dat de fraude werd aangestuurd vanuit de top van het bedrijf. Volgens de advocaat-generaal waren het juist de verdachten zelf die zich verrijkten. Eventuele tekortkomingen in de bedrijfscultuur doen volgens het OM niets af aan hun eigen verantwoordelijkheid. “De bedrijfscultuur heeft geen strafmatigend effect”, stelde de advocaat-generaal tijdens de zitting.
De voormalige interim-manager bleef in de jaren na zijn veroordeling werken in financiële functies, onder meer als controller. Daarbij ontstond opnieuw juridische discussie nadat een vervalste verklaring omtrent het gedrag (VOG) werd gebruikt bij sollicitaties. Ook tegen die veroordeling loopt hoger beroep.
Het gerechtshof doet op 1 juli uitspraak in de strafzaak.


Geef een reactie