Een student aan de Universiteit van Amsterdam behaalde een 5,0 voor het tentamen Auditing & Assurance 2 en vraagt op 25 juli 2024 om herziening van het cijfer. De examinator laat het tentamen herbeoordelen door een onafhankelijke corrector, maar meldt op 4 september 2024 dat het cijfer ongewijzigd blijft. Op 18 september 2024 stelt de student administratief beroep in.
Het College van beroep voor de examens (CBE) beschouwt dit als een beroep tegen de oorspronkelijke beslissing van 30 juli 2024 en oordeelt dat het te laat is ingediend. Volgens het CBE zijn er geen verschoonbare redenen voor de termijnoverschrijding, aangezien de student op basis van de rechtsmiddelenclausule had moeten weten wanneer de beroepstermijn liep. Daarom verklaart het CBE het beroep kennelijk niet-ontvankelijk.
Bevoegdheid
De student stapt daarop naar de rechter. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat zij wél bevoegd is om over het geschil te oordelen, ook al volgt de student een niet-bekostigde postinitiële opleiding. Doorslaggevend is dat de opleiding wordt aangeboden door een bekostigde instelling, in dit geval de UvA:
‘Uit artikel 7.64, eerste lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (hierna: de Whw), in samenhang gelezen met artikelen 1.1, onder g, 1.8, eerste lid, en 7.1, eerste lid, van de Whw, volgt dat de Afdeling bevoegd is te oordelen over beslissingen, inhoudende een rechtshandeling jegens een betrokkene, genomen door een orgaan van een instelling voor hoger onderwijs. Als instelling voor hoger onderwijs wordt in artikel 1.1, onder g van de Whw onder meer aangemerkt een bekostigde instelling opgenomen in de bijlage van de Whw onder a tot en met i. Voor de bevoegdheid van de Afdeling is, wat betreft bekostigde instellingen, dus niet van belang of de opleiding in het kader waarvan de beslissing wordt genomen is bekostigd of niet. Anders dan het College van Beroep voor het Hoger Onderwijs (zie de uitspraken van 26 augustus 2013, CBHO 2013/062, en 19 april 2017, CBHO 2017/011) oordeelt de Afdeling dat alleen van belang is of de opleiding wordt aangeboden aan een bekostigde instelling. Aangezien de UvA een bekostigde instelling is, genoemd onder a van de bijlage bij de Whw, en ook is voldaan aan de overige voorwaarden van artikel 7.64 van de Whw, is de Afdeling bevoegd in eerste en enige aanleg te oordelen over het geschil in deze procedure.’
Ontvankelijkheid van het administratief beroep
De Afdeling oordeelt verder dat het College van beroep voor de examens (CBE) van de Universiteit van Amsterdam ten onrechte het administratief beroep van de student niet-ontvankelijk verklaarde.
Het juridisch kader voor de beoordeling van verschoonbaarheid van termijnoverschrijdingen wordt door de Afdeling als volgt geschetst:
‘In het kader van artikel 6:11 van de Awb, dat ziet op de verschoonbaarheid van een termijnoverschrijding, moet worden beoordeeld of de indiener van het bezwaar in verzuim is geweest. Zoals uiteengezet in de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31, onder 2.3, houdt dit in dat moet worden beoordeeld of het niet tijdig indienen van het bezwaar- of beroepschrift aan de indiener kan worden toegerekend. Voor het oordeel dat de termijnoverschrijding niet aan de indiener kan worden toegerekend kan onder meer grond bestaan als deze is veroorzaakt door het handelen of nalaten van het bestuursorgaan. Als de termijnoverschrijding niet aan de indiener kan worden toegerekend, dan moet beoordeeld worden of het bezwaar- of beroepschrift zo spoedig als dit redelijkerwijs kon worden verlangd is ingediend.’
De Afdeling stelt vast dat de wettelijke beroepstermijn afloopt op 10 september 2024, maar dat de overschrijding in dit geval verschoonbaar is. Doorslaggevend is dat onder de beslissing van 30 juli geen rechtsmiddelenclausule staat en dat de student al vóór die datum een herbeoordelingsverzoek indiende. Omdat de examinator dit verzoek pas op 4 september 2024 afrondt en de student dan pas wijst op de mogelijkheid van beroep, mag hij ervan uitgaan dat de beroepstermijn pas op dat moment begint te lopen. Het verwijt dat het beroep te laat is ingesteld, houdt daarom geen stand.
De Afdeling verklaart het beroep gegrond, vernietigt de beslissing van het CBE en draagt het college op binnen zes weken een nieuwe inhoudelijke beslissing te nemen.


Deze uitspraak is in zoverre opmerkelijk dat de AWB bijlage 2 de rechtspraak op grond van de wet op het accountantsberoep opdraagt aan het College van beroep voor het bedrijfsleven. Het gaat hier om de opleiding tot accountant en die valt onder de wet op het accountantsberoep. Er bestaat dus een bevoegdheidsconflict. De RvS op grond van de toewijzing van rechtspraak op grond van de wet op het hoger onderwijs en het Cbb vanwege de toewijzing op grond van de Wet op het accountantsberoep Bijlage 2 hoofdstuk 2 art. 4. AWB. Dit geeft aan dat de (theoretische) opleiding tot accountant het beste in de wet op het hoger onderwijs te regelen is.