Een transportbedrijf laat de boekhouding vanaf begin 2022 doen door een freelancer, die werkt voor een boekhoudkantoor. Die stuurt daarvoor facturen. In augustus 2022 verandert de opzet en wordt formeel het boekhoudbedrijf de opdrachtnemer voor de administratie, de btw-aangifte/omzetbelasting, het samenstellen van de jaarrekening en de aangifte inkomstenbelasting. Ze spreken een abonnement af van € 110 per maand, dat vanaf 1 januari 2023 naar € 115,50 per maand gaat en vanaf maart 2024 naar € 121,28 per maand. Werkzaamheden die niet onder het abonnement vallen worden apart in rekening gebracht. De freelancer blijft het aanspreekpunt.
Dat gaat goed tot eind maart 2024. Vanaf dan laat de transporteur vijf facturen voor in totaal € 6.005,47, verstuurd tussen 31 maart en 26 april, onbetaald. Het boekhoudbedrijf beëindigt daarop de samenwerking.
Vordering en tegenvordering
Bij de rechter probeert het kantoor alsnog betaling af te dwingen. Het transportbedrijf brengt daartegen in dat de gefactureerde werkzaamheden al onder het abonnement vallen. Er is geen meerwerk aangekondigd en de algemene voorwaarden zijn niet van toepassing omdat die nooit zijn ontvangen. Daarom is de boete die de boekhouder eist evenmin verschuldigd. De transporteur eist op zijn beurt een vergoeding omdat de juiste cijfers over het boekjaar 2022 niet tijdig zijn opgeleverd. Hij heeft daardoor kosten gemaakt omdat de nieuwe boekhouder de ondeugdelijke boekhouding moest herstellen.
Algemene voorwaarden niet van toepassing
De kantonrechter geeft de klant gelijk wat betreft de algemene voorwaarden. De boekhouder kan namelijk niet aantonen dat die zijn besproken in het intakegesprek. “De enkele omstandigheid dat er een intern document is van het intakegesprek waarop staat dat de algemene voorwaarden zijn besproken, zonder dat dit document door partijen is ondertekend, is onvoldoende om aan te kunnen nemen dat de algemene voorwaarden daadwerkelijk onderwerp van gesprek zijn geweest.” Ook is niet aangetoond dat de algemene voorwaarden zijn overhandigd. Bij mailtjes over prijswijzigingen zijn die later alsnog verstuurd, maar dat maakt niet dat ze alsnog op de overeenkomst van toepassing zijn.
Extra werk niet aangekondigd
De boekhouder vordert ten eerste € 2.440,80 de werkzaamheden met betrekking tot de administratie over 2021. De transporteur erkent dat werk voor de jaarrekening 2021 niet onder de abonnementskosten zouden vallen, maar apart in rekening zouden worden gebracht. Daarom moet hij daarvoor betalen, aangezien die werkzaamheden nog niet waren afgerond – maar het gaat dan alleen om het werk voor de jaarrekening. “Daarbij weegt de kantonrechter mee dat [de boekhouder] ook niet heeft gewaarschuwd dat de overige werkzaamheden voor het jaar 2021 nodig waren en dat deze tot extra kosten zouden leiden. Als [de boekhouder] dat wel voor ogen had, dan had zij daar als goed opdrachtnemer (artikel 7:401 BW) vooraf transparant over moeten zijn.” De boekhouder krijgt van het gevorderde bedrag € 902,66 betaald.
Inhaalwerk was al betaald
Daarnaast ligt er nog een nota van € 2.217,25 voor “Boekhouding en omzetbelasting januari t/m juli 2022”. Dat zouden inhaalwerkzaamheden zijn geweest. Maar de rechter overweegt dat het bedrijf daar al voor betaald heeft via de facturen die de freelancer daar al vóór augustus 2022 voor heeft gestuurd.Het transportbedrijf hoefde er niet op bedacht te zijn dat voor de aangifte omzetbelasting over de eerste twee kwartalen nog extra kosten in rekening zouden worden gebracht. “Dit te meer vanwege het tijdsverloop: uit de specificatie van de factuur blijkt dat de laatste werkzaamheden zijn verricht op 27 september 2022 en de factuur dateert pas van 31 maart 2024.”
De transporteur heeft de rechter ook aan zijn zijde in de twist over een te hoge nota voor het aanvragen van uitstel voor twee aanslagen: hem was beloofd dat daarvoor € 250,00 zou worden gerekend. Op de nota staat € 200 meer. De laatste omstreden factuur voor april 2024 moet de klant wel betalen, want die dateert nog van voor het einde van de samenwerking.
Uiteindelijk krijgt de boekhouder van de gevorderde ruim € 6.000 slechts € 1.345,86 toegewezen. Wel moet het transportbedrijf nog € 201,88 aan buitengerechtelijke kosten betalen en de wettelijke handelsrente over het toegewezen bedrag.
De tegenvordering van de transporteur wordt afgewezen. Dat de opvolgend boekhouder heeft opgemerkt dat het boekjaar 2022 “niet conform de gedragsregels” is bijgehouden, is niet genoeg om aansprakelijkheid van het kantoor aan te nemen.


Geef een reactie