
Een accountant hield aan een klant voor dat een middelingsverzoek een belastingvoordeel zou opleveren van € 2.247, stelt de klant. De Belastingdienst wees het verzoek echter af, waarna de klant de AA tuchtrechtelijk aanklaagde. De klacht wordt door de Accountantskamer ongegrond verklaard. Het feit dat de accountant een berekening heeft gehanteerd bij het middelingsverzoek betekent niet dat hij aan de klant heeft gegarandeerd dat hij recht heeft op een middelingsteruggaaf.
Middelingsverzoek
De klant had een onderneming die in 2019 is verkocht. De AA verzorgde de jaarrekeningen en de aangiften Inkomstenbelasting (IB) voor de ondernemer. In een e-mail van 26 april 2021 heeft de accountant een concept IB-aangifte met de ondernemer gedeeld. De winst uit onderneming over boekjaar 2019 bedraagt € 97.390. Als mogelijkheid om de belastingdruk te verlagen, noemt de AA de optie om het inkomen over de jaren 2017 tot en met 2019 te middelen: ‘Omdat je in 2017 en 2018 een laag inkomen had, komt er van het te betalen bedrag over 2019 later weer het nodige terug’. De AA heeft aangeboden het middelingsverzoek uit coulance kosteloos voor de klant in te zullen dienen.
Op 25 februari 2022 heeft de AA het middelingsverzoek bij de Belastingdienst ingediend. De accountant heeft de middelingsteruggaaf berekend op een bedrag van € 2.247. Nadat was gebleken dat de Belastingdienst het middelingsverzoek niet had ontvangen, heeft de ondernemer de AA verzocht het middelingsverzoek opnieuw in te dienen. Dat heeft de AA vervolgens gedaan. Bij beschikking van 23 juni 2022 heeft de Belastingdienst het middelingsverzoek afgewezen, omdat het resultaat van de middelingsberekening onder de drempel van € 545 blijft.
Tuchtklacht
Bij de Accountantskamer maakt de klant de AA twee verwijten in verband met de werkzaamheden betreffende het middelingsverzoek. In de eerste plaats vindt de klager dat de accountant hem verkeerd heeft voorgelicht over zijn recht op middelingsteruggaaf. De AA heeft de ondernemer steeds voorgehouden dat hij recht zou hebben op een bedrag van € 2.247, voert de klager aan. En in de tweede plaats meent de ondernemer dat de accountant onvoldoende initiatief heeft getoond met betrekking tot het middelingsverzoek.
Oordeel Accountantskamer
De Accountantskamer heeft tijdens de mondelinge behandeling aan de ondernemer gevraagd waaruit kan blijken dat de AA de klager verkeerd heeft voorgelicht over zijn recht op middelingsteruggaaf. In zijn e-mailbericht van 26 april 2021 heeft de accountant geschreven: ‘Omdat je in 2017 en 2018 een laag inkomen had, komt er van het te betalen bedrag over 2019 later weer het nodige terug’, maar dit kan de klager redelijkerwijs niet als een (onvoorwaardelijke) toezegging van de accountant uitleggen, alleen al omdat de Belastingdienst over het middelingsverzoek beslist. De AA noemt daarin ook geen bedrag. De klagende ondernemer heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat de AA meerdere keren, ‘zwart op wit’, heeft verklaard dat hij een bedrag van € 2.247 terug ontvangt. Maar ook na doorvragen heeft de klager geen processtuk kunnen aanwijzen waarin de accountant deze garantie geeft, constateert de Accountantskamer. De klager heeft slechts gewezen op de berekening die de AA aan het verzoek om middeling ten grondslag heeft gelegd. Het feit dat de accountant een berekening heeft gehanteerd bij het middelingsverzoek betekent niet dat de AA aan de klant heeft gegarandeerd dat hij recht heeft op een middelingsteruggaaf, oordeelt de tuchtrechter. Het klachtonderdeel is daarom ongegrond.
Ook het klachtonderdeel dat de AA onvoldoende initiatief zou hebben getoond bij het behandelen van het middelingsverzoek is onvoldoende onderbouwd en daarmee ongegrond.
Uitspraak: 22-1951 AA

Tuchtklacht
Geef een reactie