Voorin spreekt een jonge vrouw, ergens in de twintig. Haar stem is helder, haar toon vastberaden. “Dit beroepsprofiel gaat over ons. Over onze toekomst. Niet die van de vijftigplussers die zich bedreigd voelen.”
Een paar mensen in de zaal knikken. Maar achterin klinken er gefluisterde tegenreacties. De oude garde is niet van plan het veld zomaar te ruimen.
“Ik weet niet wat erger is,” fluistert een man naast Gijs, “de toon of het geheugenverlies.”
Gijs noteert het zinnetje. Hij heeft vandaag al meer citaten gehoord die de moeite waard zijn. Wat hem treft, is de felheid. De toon van het debat is scherp, bij vlagen vijandig. En dat in een beroepsgroep die zich laat voorstaan op professionaliteit en zorgvuldigheid.
Na afloop van het panel schuiven mensen hun stoelen achteruit. Een geroezemoes stijgt op. Gijs blijft nog even zitten. Naast hem komt een grijze man staan met een badge: “Prof. dr. J. de Ridder”. Gijs herkent hem van een eerder interview.
“En, wat vond je ervan?” vraagt De Ridder terwijl hij zijn colbert rechttrekt.
Gijs haalt zijn schouders op. “Fel. Vijandig bij vlagen. Onwaardig soms.”
De Ridder glimlacht flauw. “Je hebt de oude oorlog niet meegemaakt. NIVRA tegen NOVAA. RA’s tegen AA’s. Daar werd ook niet met fluwelen handschoenen gevochten.”
Gijs knikt. Hij had zich ingelezen. Had artikelen gelezen over professor Blokdijk die destijds vond dat AA’s helemaal geen certificeringsbevoegdheid moesten krijgen. En over Legerstee, de lobbyist die vocht voor gelijke rechten. En dan was er nog die mislukte fusie tussen de beroepsorganisaties, die jaren later alsnog slaagde. Maar de wonden waren nooit helemaal geheeld.
“Ik zie sentimenten opspelen,” zegt Gijs. “Alsof mensen terug willen naar het verleden. Terug naar twee organisaties.”
De Ridder zucht. “Het is identiteitsstrijd. En belangenstrijd. Onder het mom van toekomstvisie.”
Later die avond praat Gijs na met een jonge student-accountant die bij het debat het woord had genomen. Hij stelde zich voor als Karim.
“Ik zei alleen wat ik voelde,” zegt Karim. “Dat het tijd werd dat de mastodonten ruimte maken.”
“En daar kreeg je applaus voor.”
Karim lacht. “Ja, dat was fijn. Maar het voelde ook alsof ik iets verbodens had gezegd.”
“Wat bedoel je?”
“Nou, het is alsof je niet mag zeggen dat je geen certificeringsbevoegdheid ambieert. Alsof je de beroepsgroep verraadt als je alleen samenstelwerk wilt doen.”
Gijs knikt. “Er was een oudere accountant die zei dat jullie daar later spijt van zouden krijgen.”
“Zij leven in 2005,” zegt Karim. “Ik in 2025.”
De volgende ochtend zit Gijs weer aan zijn keukentafel. Zijn notities liggen voor hem, de koffie is heet, zijn laptop opengeklapt. Hij herleest zijn aantekeningen van de debatavond. Onder een krabbeltje staat een citaat van een hoogleraar met wie hij na afloop sprak:
“Het gaat helemaal niet om certificeringsbevoegdheid. Het gaat om belangen. Verdienmodellen die onder druk staan. De jonge garde heeft daar geen boodschap aan.”
Gijs denkt na. Als buitenstaander ziet hij het met andere ogen. De beroepsgroep lijkt gevangen in een kramp. De NBA mag dan een fusieorganisatie zijn, de bloedgroepenstrijd is nog voelbaar. Een deel van de aanwezigen leek heimelijk te verlangen naar een tijd waarin de AA en de RA elk hun eigen domein hadden.
Maar Gijs ziet ook iets anders. Hij herinnert zich het artikel dat hij las over de WTA, de Wet Toezicht Accountantsorganisaties. De echte machtsverschuiving vond plaats in 2006. Toen de AFM zijn entree maakte en de certificeringsbevoegdheid werd gekoppeld aan een vergunning, niet aan het lidmaatschap van een beroepsorganisatie. En de eindtermen van de opleiding? Die werden overgedragen aan de Commissie Eindtermen Accountantsopleiding, de CEA.
De beroepsorganisatie was sindsdien vooral nog een gesprekspartner, geen beslisser.
“En toch,” mompelt Gijs in zichzelf, “gedraagt men zich alsof alles nog draait om de eigen regie.”
Hij belt met een oud-branchevoorzitter die hij eens interviewde voor zijn podcast. “Zeg,” vraagt Gijs, “denk jij dat via het beroepsprofiel geprobeerd wordt om weer invloed op het onderwijs te krijgen?”
De man lacht. “Wishful thinking. De opleiding is van het ministerie. De CEA bepaalt. Wat de beroepsorganisatie kan doen, is meedenken over profiel en praktijk, maar de regie? Die ligt elders.”
Gijs klikt het gesprek weg en typt een paar woorden in zijn document: denkfout: beroepsprofiel = terugpakken van macht.
’s Middags bladert hij door een oud rapport over de toekomst van het accountantsberoep. De auteurs voorspelden al in 2015 dat de klassieke indeling in RA en AA zou vervagen. Dat controle en samenstel zouden integreren in hybride functies. En dat jongeren flexibiliteit en autonomie belangrijker zouden vinden dan titels of bevoegdheden.
Hij belt Karim.
“Heb je even?”
“Zeker.”
“Stel dat je verplicht wordt om je opleiding voort te zetten tot je bevoegd bent om wettelijke controles te doen. Wat dan?”
Karim lacht. “Dan stop ik morgen.”
“Waarom?”
“Omdat het niet is wat ik wil. En omdat ik het ook niet nodig heb om goed te zijn in mijn vak.”
Gijs schrijft het op. Niet iedere accountant wil een handtekening zetten. Maar iedere accountant wil wel erkend worden.
Hij sluit zijn laptop. De zon breekt even door. Hij pakt zijn jas. Even wandelen.
In de lucht hangt nog de echo van het debat. Jong tegen oud. Vasthouden tegen loslaten. Maar voor Gijs is het niet zwart-wit. Hij ziet een beroep in transitie, zoekend naar zijn kern. En dat doet pijn. Want oude systemen gaan niet zachtjes ten onder. En nieuwe gezichten willen niet wachten tot ze aan de beurt zijn.
Op het bloknootje dat hij in zijn jaszak vindt, krabbelt hij nog een laatste zin:
Het beroepsprofiel is geen instrument van macht. Het is een spiegel. En niet iedereen durft erin te kijken.


Geef een reactie