Bij het toekennen van aandelen aan werknemers worden vaak voorwaarden gesteld. Eén daarvan is de bad-leaverclausule. Die bepaalt dat een werknemer die onder ongunstige omstandigheden uit dienst treedt – bijvoorbeeld wegens verwijtbaar handelen – zijn aandelen moet terugverkopen aan de werkgever tegen een vooraf vastgestelde prijs. Die prijs ligt doorgaans lager dan de waarde in het economisch verkeer (WEV) op dat moment.
Dat kan leiden tot een papieren verlies: de werknemer ontvangt minder dan de marktwaarde, terwijl hij die aandelen zonder de clausule voor meer had kunnen verkopen. In fiscale termen kan dat worden aangemerkt als negatief loon. De vraag is of zo’n verlies ook mag worden verrekend binnen de lucratiefbelangregeling van de Wet inkomstenbelasting 2001.
De kennisgroep maakt onderscheid tussen twee situaties.
Variant A doet zich voor als bij de toekenning van de aandelen al rekening is gehouden met de bad-leaverbepaling. De waarde van de aandelen wordt dan vooraf verlaagd (een ‘discount’) om het risico op een gedwongen verkoop onder de marktwaarde te verdisconteren. In dat geval is het prijseffect al bij de loonheffing verrekend. De verplichting verlaat daarna de loonsfeer en valt in de resultaatsfeer van het lucratief belang. Als het bad-leaververlies zich later daadwerkelijk voordoet, kan dit niet nogmaals in de loonsfeer worden opgevoerd.
Variant B is van toepassing als bij de toekenning geen rekening is gehouden met de bad-leaverbepaling. De aandelen worden dan gewaardeerd tegen de volledige WEV, en het eventuele latere verlies door gedwongen verkoop speelt zich geheel af binnen de loonsfeer. Dat verlies kan pas na de afwikkeling van het lucratief belang als negatief loon in aanmerking worden genomen, op grond van het arrest van de Hoge Raad.
Cijfermatige uitwerking
In beide varianten wordt uiteindelijk hetzelfde bedrag in box 1 belast. Dat blijkt uit rekenvoorbeelden van de kennisgroep.
In variant A wordt bij toekenning bijvoorbeeld een loonvoordeel van € 50 belast, omdat de aandelen een WEV hebben van € 100 maar met € 50 discount worden toegekend. Bij verkoop als bad leaver voor € 500, terwijl de marktwaarde € 800 bedraagt, wordt een resultaat uit overige werkzaamheden (ROW) van € 450 belast. Totaal is dat € 500.
In variant B wordt bij toekenning € 100 aan loon belast (WEV € 100, aankoopprijs € 0). Bij verkoop voor € 500 wordt een ROW van € 700 vastgesteld, uitgaande van de marktwaarde van € 800. Vervolgens wordt € 300 negatief loon in mindering gebracht. Per saldo komt ook hier € 500 in de heffing.
Zelfde uitkomst, andere route
Het verschil tussen de varianten zit dus niet in de uiteindelijke belastingdruk, maar in het moment en de fiscale sfeer waarin het verlies wordt verwerkt. In variant A is het verlies al verdisconteerd bij de toekenning en speelt het daarna geen rol meer. In variant B wordt het verlies pas verrekend na afloop van het lucratief belang.
Hoge Raad-arrest
De kennisgroep benadrukt dat het arrest uit 2016, dat onder voorwaarden negatief loon toestaat, geen invloed heeft op de afwikkeling van de lucratiefbelangpositie. Eerst wordt het lucratief belang fiscaal afgehandeld; pas daarna kan een eventueel verlies als negatief loon worden meegenomen, en dan alleen in variant B.
Praktische betekenis
Voor werkgevers en werknemers betekent dit dat de fiscale behandeling van een bad-leaverclausule grotendeels wordt bepaald door de afspraken en waardering bij toekenning van de aandelen. Is het prijseffect vooraf verdisconteerd, dan heeft een later verlies geen fiscaal voordeel meer. Is dat niet gebeurd, dan kan het verlies mogelijk als negatief loon worden opgevoerd, maar pas nadat het lucratief belang is afgewikkeld.
Ga hier naar het standpunt.


Geef een reactie