Achtergrond van de zaak
De zaak draait om een voormalige klant die sinds 2017 meerdere tuchtklachten heeft ingediend tegen haar accountant. In 2020 diende de vrouw weer een tuchtklacht in tegen de AA. Die was opgeroepen voor verhoor door de FIOD om informatie te verschaffen over het bedrijf van de vrouw. Volgens haar had hij niet mee mogen werken aan dit verhoor vanwege zijn geheimhoudingsplicht. De Accountantskamer maakte korte metten met dit verwijt door te citeren uit de brief van de FIOD waarin de accountant was uitgenodigd voor het verhoor. Daarin stond onder meer: ‘U bent als getuige verplicht te verschijnen.’
‘Klager alleen uit op schade’
De eerdere klachten werden door de Accountantskamer geheel ongegrond verklaard. De derde klacht – ingediend in 2022 – bevatte dertien verwijten, gebundeld in vier onderdelen. De Accountantskamer verklaarde in 2023 alle verwijten ongegrond, maar wees het betoog van de AA af dat de klacht überhaupt niet-ontvankelijk had moeten zijn wegens misbruik van klachtrecht.
De accountant ging in hoger beroep bij het CBb, met als kernargument dat hij door de voortdurende stroom van klachten en claims al jarenlang gegijzeld wordt, dat deze hem financieel en professioneel raken en dat de klager ook persoonlijk erop uit lijkt hem schade te berokkenen:
“Met het telkens indienen van klachten beoogt [de klager, red.] vooral hem of het accountantskantoor financieel of anderszins te treffen. [de klager] heeft te kennen gegeven dat zij daarmee net zo lang doorgaat tot er fouten zijn gevonden en een forse claim kan worden neergelegd bij het accountantskantoor, dat zij aansprakelijk houdt voor de teloorgang van het bedrijf. Uit het feit dat zij een persoonlijke aansprakelijkstelling aan zijn huisadres heeft gezonden, blijkt dat zij hem in persoon en financieel wil treffen. In de aansprakelijkstelling kondigt zij ook een nieuwe klacht tegen hem aan. De accountantskamer vermeldt niet hoe [de accountant, red] aannemelijk moet maken dat de klachten van [de klager] vooral zijn bedoeld om [de accountant] in persoon te treffen. [de accountant] wijst erop dat hij sinds 2015 als het ware wordt gegijzeld door de niet aflatende stroom aan klachten en claims, waartegen hij zich telkens moet verweren. Dit kost veel tijd en gaat ten koste van ander werk. De klachten, die zich deels herhalen, waarbij zaken door elkaar worden gehaald en hem ook gedragingen van collega’s worden tegengeworpen, zijn een steeds terugkerend onderwerp in gesprekken met zijn leidinggevende en hebben zo invloed op zijn carrièrekansen en ook zijn financiële positie. [de klager] liet vaker stukken bij hem thuis bezorgen, wat hij als een inbreuk op zijn privacy ervaart.”
Wanneer is sprake van misbruik?
Het CBb stelt in de uitspraak dat misbruik van klachtrecht slechts in uitzonderlijke omstandigheden kan worden aangenomen:
“Vaste rechtspraak van het College met betrekking tot het tuchtrecht ten aanzien van accountants (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 20 april 2021, ECLI:NL:CBB:2021:430) is dat het niet relevant is of de klager een persoonlijk belang heeft bij het indienen van een klacht, terwijl de handelwijze van de klager of de (gestelde) motieven voor het indienen van een klacht evenmin ter zake doen. Van misbruik van klachtrecht zal dan ook niet snel sprake zijn. Zoals in de Memorie van Toelichting bij de Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra) (Kamerstukken II, 2005-2006, 30 397, nr. 3, blz. 9) ook is toegelicht, is de tuchtrechtspraak erop gericht in het algemeen belang een optimaal functioneren van de accountant te verzekeren door in individuele gevallen tegen inbreuken op de wettelijke bepalingen en de ambtsethiek op te treden. In dit uitgangspunt ligt, aldus de toelichting, besloten dat de tuchtrechtspraak wordt uitgeoefend in het algemeen belang.
Indien het algemeen belang echter met de tuchtrechtelijke behandeling van een klacht redelijkerwijs niet meer gediend kan zijn, kan sprake zijn van misbruik van klachtrecht, zoals in het geval dat de klager klaarblijkelijk niet van het klachtrecht gebruikt maakt om handelen of nalaten van de accountant aan de voor hem geldende gedrags- en beroepsregels te laten toetsen, maar daarmee een ander doel nastreeft dan waarvoor de tuchtprocedure is bedoeld. Dit doet zich bijvoorbeeld voor als een klager met het steeds opnieuw indienen van klachten vooral erop uit is de accountant persoonlijk of financieel te treffen.”
Argumenten van de accountant onvoldoende
Aan de hand van die juridische maatstaf oordeelt het College dat er in dit geval (nog) geen sprake is van misbruik van klachtrecht. Volgens het College zijn er onvoldoende redenen om aan te nemen dat achter het indienen van de klacht vooral andere beweegredenen schuilgaan dan het handelen of nalaten van de accountant ter toetsing voor te leggen aan de tuchtrechter. Van een fishing expedition is daarmee geen sprake:
“Het College ziet (nog) onvoldoende aanleiding voor het oordeel dat [de klager] met deze derde klacht misbruik maakt van het klachtrecht. Met wat [de accountant] daarover aanvoert, maakt hij niet aannemelijk dat [de klager] met het indienen van deze klacht vooral erop uit is hem persoonlijk of financieel te treffen. Dat [de klager] schade als gevolg van in een tuchtprocedure vastgesteld tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen of nalaten (ook op [de accountant] zelf) wil verhalen en processtukken op zijn privéadres liet betekenen, maakt dit oogmerk niet aannemelijk. Het College heeft, ook afgezien van het voorgaande, onvoldoende redenen om aan te nemen dat achter het indienen van de klacht vooral andere beweegredenen schuilgaan dan het handelen of nalaten van [de accountant] ter toetsing voor te leggen aan de tuchtrechter. In deze derde klacht legt [de klager] op basis van informatie waarover zij op een later moment de beschikking kreeg nieuwe tuchtrechtelijke verwijten voor die voldoende verband houden met de uitvoering van de opdrachten en de nasleep ervan en zich voldoende onderscheiden van de verwijten die zij in de eerdere klachten naar voren bracht. Hoewel [de klager] in het kader van deze klacht (uitvoerig) terugkomt op kwesties die al onderwerp van geschil waren in de vorige procedures, blijkt uit haar verwijten, stellingen, (proces)stukken en (proces)gedrag in samenhang beoordeeld niet dat zij in wezen beoogt tuchtrechtelijke verwijten waarover al is geoordeeld via een omweg opnieuw aan de orde te stellen. Weliswaar stelt [de klager], onder meer, dat het indienen van een klacht de enige manier lijkt te zijn om [de accountant] ertoe te bewegen de naar haar mening nog immer achtergehouden informatie te verstrekken, zij stelt daarbij echter ook dat de klacht steunt op tuchtrechtelijk toetsbare normschendingen, waaronder het indienen van BTW-suppleties zonder daartoe een opdracht te hebben gekregen en het doen van tegenstrijdige verklaringen alsmede het achterhouden van nader bepaalde documenten. Het is volgens [de klager] te doen om deze vormen van onprofessioneel handelen. Hieruit blijkt naar het oordeel van het College niet dat de klacht vooral is bedoeld als een ‘fishing expedition’ en daarmee geacht moet worden voor een ander doel te zijn ingediend dan waarvoor deze tuchtprocedure is bedoeld. [de accountant] heeft ook onvoldoende duidelijk gemaakt waarom op voorhand zou zijn uitgesloten dat de klacht aan de doelstellingen van het tuchtrecht kan bijdragen. Indien een klaagschrift of hogerberoepschrift aan duidelijkheid te wensen overlaat en/of samenhang mist, kan dit op zichzelf ook niet worden aangemerkt als (proces)gedrag waaruit misbruik van klachtrecht is af te leiden.
De accountantskamer heeft dus terecht geen aanleiding gezien (delen van) deze derde klacht van [de klager] niet inhoudelijk te behandelen. De hogerberoepsgrond van [de accountant] slaagt niet.”
Omdat ook de hogerberoepsgronden van de voormalige klant niet slagen wordt het hoger beroep van beide zijden in z’n geheel ongegrond verklaard.
College van Beroep voor het bedrijfsleven, ECLI:NL:CBB:2025:530


Geef een reactie