Het procesbelang speelt in diverse uitspraken een centrale rol. Dat is niet zo vreemd, want de rechter zal een beroep niet-ontvankelijk verklaren als het procesbelang ontbreekt. Door inzicht te hebben in het leerstuk procesbelang kun je voorkomen dat een (hoger) beroep strandt en dat er onnodige kosten ontstaan. Volgens vaste rechtspraak bestaat procesbelang wanneer het met het (hoger) beroep nagestreefde resultaat daadwerkelijk kan worden bereikt en feitelijke betekenis heeft voor de indiener. Het belang moet reëel en actueel zijn: het moet nu bestaan en mag niet afhangen van een toekomstige, onzekere gebeurtenis. De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft dit leerstuk de afgelopen jaren verruimd. Hierna worden die verruimingen besproken en passeren enkele uitspraken de revue waarin het procesbelang een centrale rol speelt.
Verruiming procesbelang in 2013: toekomstig belang
De WIA kent twee fases: fase 1 is de loongerelateerde uitkering. In deze fase ontvang je altijd 70% van je oude loon (bij IVA 75%), ongeacht de mate van arbeidsongeschiktheid. Of je 40% of 80% arbeidsongeschikt bent, maakt voor de uitkering geen verschil. Fase 2 is de fase van de vervolguitkering of loonaanvullingsuitkering. Hier bepaalt de arbeidsongeschiktheidsklasse wél de hoogte van de uitkering. Bij een arbeidsongeschiktheid van 35%–80% stelt het UWV – in fase 2 – vast hoeveel je nog kunt verdienen: de restverdiencapaciteit. Verdien je minstens 50% daarvan, dan voldoe je aan de inkomenseis en heb je recht op een hogere loonaanvullingsuitkering onder de noemer ‘werken loont’. De inkomenseis speelt pas een rol na fase 1 – en alleen bij een arbeidsongeschiktheid van minder dan 80%.
Toch oordeelde de CRvB in 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1485) dat de mate van arbeidsongeschiktheid én de daarmee samenhangende inkomenseis een voldoende concreet toekomstig belang vormen. Tenminste, als je al in fase 1 daartegen in bezwaar gaat. De rechter stelde in de uitspraak vast dat de mate van arbeidsongeschiktheid in fase 1 en de daarmee samenhangende inkomenseis weliswaar een toekomstig belang was, maar dat dit belang wel voldoende concreet was.
Verruiming in 2015: afgeleide rechtsverhouding toegestaan
In 2015 volgde een tweede verruiming naar aanleiding van de volgende zaak, waarin betrokkene vond dat zij duurzaam arbeidsongeschikt was. Haar uitkering was door herziening teruggebracht naar 23,06%. Tijdens het hoger beroep kende het UWV haar alsnog 80%–100% toe. Volgens het UWV was er daarom geen procesbelang meer. Betrokkene stelde echter dat haar premievrije pensioenopbouw afhing van het arbeidsongeschiktheidspercentage. Bij 80%-100% arbeidsongeschiktheid had zij namelijk een 100% premievrije pensioenopbouw. Doordat het UWV in het verleden haar arbeidsongeschiktheidspercentage had teruggebracht van 80%-100% naar 23,06%, kreeg zij – over die periode in het verleden – te maken met slechts 20% premievrije pensioenopbouw.
Het UWV voerde aan dat procesbelang alleen mag zien op de rechtsverhouding tussen burger en bestuursorgaan, terwijl hier sprake was van een afgeleide relatie met het pensioenfonds. De CRvB volgde dit niet (ECLI:NL:CRVB:2015:53) en verruimde het begrip procesbelang.
Een procesbelang kan óók bestaan wanneer het besluit rechtstreeks feitelijke gevolgen heeft in een andere rechtsverhouding en de uitspraak in de lopende zaak bepalend is voor het al dan niet intreden van dat nadeel. Ondanks het feit dat procesbelang werd aangenomen, verloor betrokkene uiteindelijk het hoger beroep.
Procesbelang ontbreekt bij beëindigd dienstverband
In 2025 oordeelde de rechtbank (ECLI:NL:RBMNE:2025:5711) in een zaak van een vrachtwagenchauffeur. Hij was voor minder dan 35% arbeidsongeschikt verklaard; het UWV had andere functies geselecteerd waarin hij wel kon werken. Het dienstverband met zijn werkgever was inmiddels beëindigd.
De rechter toetst het procesbelang en keek enkel naar wat eiser concreet wilde bereiken en of hij via het beroep dat resultaat ook kon bereiken. Hij gaf aan dat als de rechter hem gelijk zou geven, hij zijn oude werk weer zou kunnen doen. Uiteindelijk oordeelt de rechter dat er geen procesbelang is. Een oordeel over zijn geschiktheid voor de functie die hij bij deze werkgever vervulde heeft geen feitelijke betekenis meer, omdat het dienstverband al is beëindigd. Daarom ontbrak het procesbelang en werd het beroep niet‑ontvankelijk verklaard.
Procesbelang vervalt wanneer het UWV volledig tegemoetkomt
In een recente uitspraak stelde betrokkene dat zijn klachten duurzaam waren. Het UWV dacht daar anders over. Tijdens het hoger beroep kende het UWV hem alsnog de gewenste IVA-uitkering toe. Daarmee was het door hem nagestreefde resultaat al bereikt en had hij geen actueel belang meer bij een uitspraak. Het hoger beroep werd daarom niet‑ontvankelijk verklaard door de Centrale Raad van Beroep (ECLI:NL:CRVB:2026:258).
Procesbelang van ex‑werkgever versus werknemer
Een ex‑werknemer ontving een 100%-WIA-uitkering. De ex‑werkgever ging in bezwaar, waarna het UWV de WIA-uitkering verlaagde naar 66,33% (besluit 1). Later bracht het UWV dit verder terug naar 55,26% (besluit 2). In beroep oordeelde de rechtbank (ECLI:NL:RBZWB:2025:5793) dat de ex‑werkgever geen procesbelang meer had bij besluit 1, omdat besluit 2 dat volledig had vervangen. Overigens zonder nadere motivatie. De ex‑werknemer had wél procesbelang vanwege de inkomenseis die in fase 2 speelt. Een hogere inkomenseis heeft namelijk effect op zijn kansen op een hogere uitkering. Voor de ex‑werknemer was dit een onbevredigende situatie, omdat voor hem vooral van belang was wie de uitkering zou moeten betalen. De vraag die nu onbeantwoord blijft is: kan de uitkering de werkgever aangerekend worden?
Procesbelang bij al verstreken loonsanctieperiode
In deze zaak vond de ex‑werknemer dat het UWV ten onrechte geen loonsanctie had opgelegd. De ex‑werkgever deed mee als derde‑belanghebbende. De rechter (ECLI:NL:RBOVE:2026:613, rov 7.2 e.v.) oordeelde dat dit niet kan: alleen derden bij wie een uitspraak rechtsgevolgen kan hebben of wier belang tegengesteld is aan dat van de eiser (hier de ex-werknemer) komen in aanmerking. De ex‑werkgever had geen procesbelang, omdat de periode waarin een loonsanctie kon worden opgelegd (de 104 weken) al voorbij was. De ex‑werknemer had dit wél. Als hij gelijk kreeg, kon hij op basis van de uitspraak wél schadevergoeding vorderen van het UWV en dus niet van zijn ex‑werkgever.
Belangrijke aandachtspunten
Procesbelang is vereist om (hoger) beroep te kunnen inzetten. Het bestaat wanneer met het (hoger) beroep een resultaat kan worden bereikt dat feitelijke betekenis heeft voor de betrokkene. Nog even de belangrijkste punten op een rij:
- Het procesbelang moet reëel en actueel zijn.
- Ook een toekomstig maar concreet belang kan voldoende zijn (ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1485).
- Sinds 2015 mag procesbelang óók betrekking hebben op andere rechtsverhoudingen dan die tussen burger en UWV, mits het besluit daarop een direct feitelijk effect heeft.
- Procesbelang vervalt bijvoorbeeld bij een beëindigd dienstverband of wanneer het UWV alsnog volledig tegemoetkomt aan de eis in (hoger) beroep.
Voor zowel de werknemer, werkgever als derde-belanghebbende geldt dat de uitspraak hen daadwerkelijk moet raken in hun belangen.
Mr. Joyce Paashuis is jurist sociale zekerheid en trainer bij Fiscount (j.paashuis@fiscount.nl).


Geef een reactie