Zaaknr: 25/1779 Wtra AK
De zaak draait om beleggers die via een beleggingsinstelling hadden geïnvesteerd in een subfonds. De AFM trok op 10 december 2019 de vergunning van de beheerder van die beleggingsinstelling in. De toezichthouder had vanaf eind 2017 onderzoek gedaan naar de beheerste en integere bedrijfsvoering van de beheerder. Volgens de beleggers had de accountant veel eerder moeten onderkennen dat de problemen bij de beheerder ook relevant waren voor de jaarrekeningen van de beleggingsinstelling. Zij vonden dat zij via die jaarrekeningen eerder hadden moeten worden geïnformeerd over de kritische wijze waarop de AFM de beheerder volgde.
De Accountantskamer volgt die redenering niet. De klacht tegen het accountantskantoor zelf is niet-ontvankelijk verklaard, omdat de tuchtrechter alleen klachten tegen individuele accountants kan behandelen. De klacht tegen de betrokken registeraccountant is inhoudelijk beoordeeld en op alle onderdelen ongegrond verklaard.
AFM-signalen
Een belangrijk verwijt was dat de accountant bij de opdrachtaanvaarding onvoldoende onderzoek zou hebben gedaan en onvoldoende zou hebben overlegd met de vorige accountant. Daardoor zou hij te weinig zicht hebben gehad op eerdere AFM-signalen over de fondsbeheerder.
De Accountantskamer oordeelt dat uit het verweer van de accountant volgt dat hij overleg heeft gevoerd met de voorafgaande accountant. Ook waren uit dat overleg aandachtspunten van de AFM rond de beheerder naar voren gekomen. De tuchtrechter merkt daarbij op dat er een zekere verbondenheid bestond tussen de beheerder en de beleggingsinstelling. Als de beheerder zijn vergunning zou verliezen, zou dat gevolgen hebben voor de beleggingsinstelling. De accountant moest dus ook aandacht hebben voor de situatie bij de beheerder.
Dat betekent volgens de Accountantskamer nog niet dat de accountant de controleopdracht niet had mogen aanvaarden of dat hem op dit punt een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Uit de informatie die hij destijds had, hoefde hij volgens de tuchtrechter niet af te leiden dat de integriteit van de beheerder ter discussie stond of dat hij onvoldoende controle-informatie zou kunnen verkrijgen.
Niet alle informatie gedeeld
Ook het verwijt dat de accountant de lopende onderzoeken van AFM en DNB onvoldoende heeft onderkend bij de jaarrekeningen slaagt niet. Voor de jaarrekening 2019 wijst de Accountantskamer erop dat de accountant juist aandacht heeft gehad voor het AFM-onderzoek en de uitkomst daarvan, doordat in de controleverklaring een paragraaf over de continuïteit was opgenomen.
Voor de jaarrekeningen 2017 en 2018 vindt de Accountantskamer van belang dat de accountant voor informatie over contacten met toezichthouders afhankelijk was van het management van de beheerder. De accountant had wel kennisgenomen van een deel van de correspondentie tussen de AFM en de beheerder. Die ging onder meer over aanpassingen in de organisatie en governance, prospectussen, subfondsen, een hertoetsing van een bestuurder en vergunningsvoorwaarden.
Volgens de accountant leverde die correspondentie geen vermoeden op van niet-naleving van wet- en regelgeving met materiële gevolgen voor de jaarrekeningen. De klagers hebben dat volgens de Accountantskamer onvoldoende weerlegd.
De accountant was volgens de uitspraak niet tijdig geïnformeerd over latere stappen van de AFM. Zo werd hij niet door de beheerder geïnformeerd over de aankondiging van de AFM op 28 mei 2019 om de vergunning in te trekken. Ook het conceptrapport van 18 juni 2019 en de zienswijze daarop werden niet met hem gedeeld voordat hij diezelfde dag zijn controleverklaring bij de jaarrekening 2018 afgaf. Dat kan hem volgens de Accountantskamer niet in redelijkheid worden verweten.
Waardering van beleggingen
De beleggers vonden daarnaast dat de accountant onvoldoende onderzoek had gedaan naar de waardering van de beleggingen en naar de zekerheden onder de verstrekte leningen. Volgens hen waren de risico’s en de waarde van de beleggingen onjuist weergegeven.
De Accountantskamer ziet daarin geen grond voor een tuchtrechtelijk verwijt. Volgens de tuchtrechter nemen de klagers bij dit verwijt als uitgangspunt dat de jaarrekeningen over 2017 tot en met 2019 geen getrouw beeld gaven. Dat is volgens de Accountantskamer niet aannemelijk gemaakt. Daarbij weegt mee dat de klagers mede redeneren vanuit wat later bekend werd, nadat in 2020 problemen ontstonden met rente- en aflossingsverplichtingen.
De accountant had toegelicht dat hij de waardering van de leningen had gecontroleerd aan de hand van onder meer betalingen van rente en aflossing, gecontroleerde jaarrekeningen van de leningnemers, leningovereenkomsten en externe bevestigingen. Ook kon hij volgens de Accountantskamer vaststellen dat pandrechten waren gevestigd op activa van de leningnemers, met name op debiteurenvorderingen. De klagers zijn volgens de tuchtrechter niet specifiek genoeg ingegaan op die controleaanpak.
Continuïteit in 2019
Over de jaarrekening 2019 lag nog een apart verwijt voor. De accountant had bij die jaarrekening een goedkeurende controleverklaring afgegeven, met een paragraaf over materiële onzekerheid rond de continuïteit. Volgens de beleggers was de toelichting over de continuïteit ontoereikend en misleidend.
Ook daarin volgt de Accountantskamer de klagers niet. De intrekking van de vergunning van de beheerder betekende volgens de tuchtrechter niet zonder meer dat de beleggingsinstelling direct in financiële problemen kwam of niet meer aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen. Daarbij speelde mee dat overdracht aan een andere beheerder mogelijk was, dat tegen het besluit van de AFM bezwaar en beroep openstond en dat de door de AFM gestelde termijn voor afwikkeling ten tijde van de controleverklaring over 2019 met zes maanden was verlengd.
De accountant had de onzekerheid volgens de Accountantskamer onder ogen gezien. Bij de controle over 2019 schakelde hij onder meer vaktechniek, een opdrachtgerichte kwaliteitsbeoordelaar en een forensisch specialist in. De tuchtrechter ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de toelichting over de continuïteit onjuist of misleidend was.
Geen tuchtrechtelijke maatregel
De Accountantskamer verklaart de klacht tegen de accountant volledig ongegrond. Van een tuchtrechtelijke maatregel is daarom geen sprake. Tegen de uitspraak kan nog hoger beroep worden ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.


Geef een reactie