
Is het een AA tuchtrechtelijk te verwijten dat hij in een ontslagprocedure met een werknemer bij het UWV een functieomschrijving hanteert die de lading niet dekt? Nee, oordeelt de Accountantskamer in een recente uitspraak.
Een AA treedt in een ontslagprocedure op namens het accountantskantoor van zijn schoonzoon. Die moet vanwege slechte resultaten drie van de acht medewerkers ontslaan, onder wie een algemeen medewerkster. Bij het UWV wordt een ontslagvergunning aangevraagd – daarbij wordt de functie omschreven als ‘reclameontwikkelaar en/of studiomedewerker’. De medewerkster maakt bezwaar. Desondanks wordt de vergunning verleend en per 30 september 2017 wordt de arbeidsovereenkomst opgezegd. De vrouw stapt naar de rechter en dat leidt bij het gerechtshof tot een schikking en een ontslagvergoeding van ruim 14.000 euro.
Niet teruggebeld
Maar daarmee zijn de gemoederen nog niet bedaard, want december vorig jaar belt de man van de ontslagen werkneemster met het accountantskantoor. Die is met name ontevreden over de opstelling van de AA tijdens de ontslagprocedure, zo meldt hij aan diens dochter, die ook bij het accountantskantoor werkt. Op de klacht wordt niet gereageerd, waarna de echtgenoot een tuchtklacht indient. De AA heeft bij het UWV en de rechters een verkeerde functie opgegeven en documenten valselijk opgemaakt; bovendien heeft hij niet willen overleggen, zo klaagt de man.
Ernstige misleiding
De werkneemster verrichtte taken op het gebied van reclameontwikkeling, maar ook taken die behoren bij de functie van algemeen medewerker, zoals de telefoon opnemen en klanten ontvangen. Daarom had volgens haar man bij de ontslagaanvraag uitgegaan moeten worden van de functie van algemeen medewerker. Hij stelt dat de AA door het verstrekken van onjuiste informatie en het gebruik van verschillende functiebenamingen het UWV ernstig heeft misleid en dat dit heeft geleid tot het ten onrechte verlenen van de ontslagvergunning. Dat heeft bij de werkneemster veel leed en financiële schade veroorzaakt. De schikkingsvoorstellen noemt de man ‘kwaadwillende voorstellen om het gepleegde bedrog onder het kleed te vegen’.
Uitgaan van feitelijke werkzaamheden
De AA stelt daar tegenover dat bij het verlenen van de ontslagvergunning moet worden gekeken naar de feitelijke werkzaamheden van de werkneemster. Zij heeft zich in de 18 jaar dat zij in dienst was bij de onderneming ontwikkeld van algemeen medewerker naar reclameontwikkelaar, die er wat algemene werkzaamheden bij deed. Bij het kantoor was er geen strikte werkverdeling of functieafbakening. In 2014, toen de schoonzoon van de AA het kantoor overnam, is een nieuwe arbeidsovereenkomst gesloten waarin de functieomschrijving uit 1999 is overgenomen. Bovendien geeft de werkneemster op haar LinkedIn-pagina zelf aan dat zij van 1999 tot en met 2017 de functie van ‘grafisch ontwerper reclame’ vervulde bij de onderneming en bij de ontslagprocedure heeft zij nooit naar voren gebracht dat de functieaanduiding niet juist zou zijn, ondanks dat ze deskundige rechtsbijstand had.
Geen bewuste misleiding
De Accountantskamer oordeelt dat het standpunt van de AA civielrechtelijk verdedigbaar is. ‘Dat klager het niet eens is met de zienswijze van betrokkene ten aanzien van de functie die werkneemster verrichtte, betekent niet dat sprake is van een bewust misleidend standpunt, zoals door klager is gesteld. Klager heeft niet aannemelijk gemaakt dat betrokkene feitelijke gegevens heeft gepresenteerd waarvan hij wist of behoorde te weten dat deze onjuist zijn. Dit volgt ook niet uit het feit dat betrokkene het personeelsoverzicht van de onderneming niet volledig heeft ingevuld. Het is niet aannemelijk dat betrokkene dat heeft gedaan met de bedoeling het UWV op het verkeerde been te zetten.’ Daarnaast had de AA het telefoontje van de man niet hoeven opvatten als een formele klacht. Er is ook geen schriftelijke klacht ingediend bij het accountantskantoor. Er is alleen een mailbericht gestuurd met de mededeling dat de klachten worden voorgelegd aan de Accountantskamer. ‘Hieruit kan worden afgeleid dat wat klager betreft, het stadium van overleg met betrokkene gepasseerd was. In deze e-mail staat voorts niet waarover de klachten van klager gaan. […] Hoewel te betreuren is dat kennelijk niet onverwijld gevolg is gegeven aan de toezegging dat klager zou worden teruggebeld, is niet vast te stellen dat betrokkene hiervan een tuchtrechtelijk relevant verwijt kan worden gemaakt.’
De klacht is ongegrond.
Uitspraak: 22-2209 AA


Geef een reactie