De zaak draait om de vraag of de twee recht hebben op 100% van hun aandeel in de additionele goodwill die vrijkwam bij de entree van investeerder Waterland in 2022, of – zoals De Jong & Laan stelde – slechts op 49%.
De kwestie speelt al sinds 2022, toen twee partners van De Jong & Laan hun aandeel verkochten in de aanloop naar de toetreding van investeerder Waterland, die uiteindelijk een belang van 49% nam. Op basis van het antispeculatiebeding in de algemene bepalingen meenden de vertrekkende partners daarna recht te hebben op 100% van hun aandeel in de additionele goodwill die bij de transactie werd gerealiseerd. Zij vorderden ieder ruim € 1,8 miljoen extra.
De rechtbank Overijssel wees die claim in mei 2024 echter volledig af, daarbij oordelend dat de twee slechts naar rato van 49% mochten meedelen en dat De Jong & Laan de uittreedvergoeding deels in termijnen mocht uitbetalen. Tegen dat vonnis gingen de voormalige partners in hoger beroep.
Geen volledige verkoop onderneming
Bij het hof baseerden de ex-partners hun vordering uitsluitend nog op het antispeculatiebeding in artikel 14 van de Algemene Bepalingen (AB) bij de aansluitingsovereenkomsten. Volgens hen leidde het geheel van transacties rond de participatie van Waterland ertoe dat feitelijk de héle onderneming was verkocht en de opbrengst volledig aan de overige partners toekwam. Daardoor zouden zij aanspraak hebben op 100% van de gerealiseerde additionele goodwill.
Het hof legt dus eerst artikel 14 van de AB onder de loep. Daarin is geregeld – zo constateert het hof – welke aanspraak een vertrekkend lid heeft in verband met transacties die plaatsvinden na het moment van uittreden. Dit betreft een recht op nabetaling ingeval de onderneming van De Jong & Laan binnen vijf jaar na de beëindiging van het lidmaatschap onder bezwarende titel wordt overgedragen aan een derde. De nabetaling bestaat uit het verschil tussen de in de vergoeding bij uittreden begrepen uittreedgoodwill die is betaald bij de beëindiging van het lidmaatschap en de in de koopsom voor de onderneming van DJL begrepen goodwill die wordt betaald door de derde aan wie de onderneming wordt vervreemd. Zoals de rechtbank heeft overwogen en de twee voormalige partners op zichzelf niet hebben bestreden, is het uitgangspunt dus verdeling van de door de koper betaalde goodwill. Dit strookt ook met artikel 14.4 en 14.5 van de AB, waarin is bepaald dat de verplichting tot nabetaling ook van toepassing is indien de aandelen van een dochtervennootschap van DJL of de activa en passiva van DJL of een of meer van haar dochtervennootschappen in het kader van de overdracht van een onderneming worden overgedragen, maar dan ‘pro rata parte’. Hieruit spreekt dat de nabetaling niet is gerelateerd aan de waarde van DJL, maar aan hetgeen wordt overgedragen aan een derde. De regeling voorziet er daarmee in dat een vertrekkend lid, in aanvulling op zijn gefixeerde goodwillaanspraken op het moment van uittreden, onder bepaalde voorwaarden ook nog meedeelt in de extra goodwill die is opgebouwd, indien en voor zover deze wordt gerealiseerd doordat (een deel van) de onderneming wordt overgedragen aan een derde die daarvoor betaalt.
Oordeel
Het hof volgt het betoog van de twee voormalige partners niet. Vaststaat dat 49% van de aandelen in Topco tegen betaling is overgedragen aan Waterland, waarmee indirect een belang van 49% in de onderneming van De Jong & Laan werd verkregen. Naar het oordeel van het hof moet dit worden beschouwd als de overdracht van een deel van de onderneming onder bezwarende titel aan een derde in de zin van artikel 14 van de AB. Dat betekent dat de twee recht hebben op een nabetaling naar rato van de daardoor gerealiseerde additionele goodwill.
Het standpunt van de twee dat een redelijke uitleg van artikel 14 ertoe leidt dat zij recht hebben op betaling van hun aandeel in de van 1 januari 2018 tot 1 januari 2022 opgebouwde goodwill van de gehele onderneming volgt het hof niet. Zoals hiervoor is overwogen, heeft de nabetaling volgens artikel 14 betrekking op het verschil tussen de uittreedgoodwill en de in de koopsom voor de onderneming begrepen goodwill die wordt betaald door de derde aan wie de onderneming wordt overgedragen. Dat bij verkoop van een deel van de onderneming het deel dat niet wordt verkocht mogelijk meer waard is dan in het kader van de herwaardering in 2018 was bepaald, maakt niet dat voor uitgetreden partners een recht op uitbetaling van een aandeel in die (achtergebleven) meerwaarde zou moeten bestaan: zonder de verkoop hebben zij dat recht immers ook niet. Van een leemte in de overeenkomst die op grond van de redelijkheid en billijkheid moet worden ingevuld, is hierbij ook geen sprake, omdat artikel 14 van de AB gewoon kan worden uitgevoerd.
Taalkundige uitleg
Bij de uitleg van de regeling hecht het hof groot gewicht aan de taalkundige betekenis van de notarieel vastgelegde bepalingen. Artikel 14 koppelt de nabetaling expliciet aan het verschil tussen de bij uittreden betaalde goodwill en de goodwill die door een derde wordt betaald bij overdracht van (een deel van) de onderneming.
Dat na verkoop van 49% mogelijk een hogere waarde resteert in het niet-verkochte deel, schept volgens het hof geen extra aanspraak voor uitgetreden partners. Zonder verkoop zouden zij daarop immers ook geen recht hebben gehad.
49% niet willekeurig
De ex-partners voerden nog aan dat het percentage van 49% min of meer willekeurig was gekozen: ‘[appellanten] c.s. voeren in dit verband verder nog aan dat het niet logisch is om de betaling van goodwill aan uittreders te koppelen aan het belang dat Waterland in DJL heeft genomen, omdat dit een min of meer willekeurig gekozen percentage is geweest. Zij wijzen er daarbij op dat Waterland in principe een meerderheidsbelang van 60% wilde verkrijgen, maar dat dit door de toezichthouder niet werd toegestaan.’
Het hof verwerpt ook dat argument: ‘DJL heeft echter toegelicht dat voor een verkoop van 49% van de aandelen is gekozen omdat op basis van accountantswetgeving is vereist dat bij een investering in een accountantskantoor de zeggenschap over de accountantsactiviteiten bij het accountantskantoor blijft. De investering was ook onderworpen aan een besluit van de AFM. [appellanten] c.s. hebben dit niet weersproken. Gelet daarop kan niet worden gezegd dat het belang van 49% willekeurig is gekozen. Waterland heeft er ook een koopsom, gebaseerd op dit percentage van de totale aandeelhouderswaarde, voor betaald. Ook in dit betoog kan het hof [appellanten] c.s. daarom niet volgen.’
Geen ongelijke behandeling
Een ander punt in het hoger beroep was de gestelde ongelijke behandeling tussen vertrekkende en zittende partners. De aangebleven partners ontvingen namelijk een groter bedrag aan aanvullende goodwill.
Dat standpunt deelt het hof niet. Om te beginnen hebben de twee – net als andere (eerder) voor de transactie uitgetreden partners – ontvangen wat hun op grond van artikel 14 van de AB toekomt. Dat is besloten de aanvullende goodwill voor het overige te verdelen onder de aangebleven partners, waardoor zij een hoger bedrag toebedeeld hebben gekregen, maakt de toepassing van artikel 14 ten opzichte van de twee niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.
Dit geldt te meer omdat wel degelijk een relevant verschil bestaat tussen de voor de transactie uitgetreden partners en de aangebleven partners. De uitgetreden partners hoefden geen herinvestering te doen en liepen dus geen risico over deze herinvestering, dit in tegenstelling tot de aangebleven partners. Daarbij geldt dat, als partners die na de transactie zijn aangebleven alsnog binnen drie jaar vertrekken, zij hun herinvestering niet terugkrijgen. Zij worden in dat geval dus net zo behandeld als partners die voor de transactie zijn vertrokken. Het verschil bestaat in beginsel dus alleen bij partners die nog minstens drie jaar aanblijven.
Weliswaar is daarvan afgeweken bij de uittredingen van de bestuursvoorzitter en nog een partner, maar De Jong & Laan heeft toegelicht dat daarvoor een bijzondere reden bestond. Het ging hier om bestuurders die na de transactie alsnog plaats moesten maken voor een nieuw bestuur; met hen is een regeling getroffen om hun vertrek mogelijk te maken. Dat speelde niet bij de twee die de procedure aanspanden.
Hun standpunt dat voor de aangebleven partners geen enkel risico bestaat dat zij het geherinvesteerde bedrag niet terugkrijgen, omdat de waarde van de onderneming als gevolg van de overnamestrategie alleen maar zal toenemen en de markt voor accountantskantoren meer dan goed is, overtuigt het hof verder niet. Deze factoren kunnen weliswaar betekenen dat het investeringsrisico beperkt is, maar afwezig is het niet. Deze omstandigheden rechtvaardigen dan ook het genoemde verschil.
Geen herwaardering achteraf
Subsidiair stelden de ex-partners dat alsnog een herwaardering per eind 2021 had moeten plaatsvinden. Die herwaardering was tijdens een ledenvergadering alleen toegezegd voor het geval de transactie met Waterland niet zou doorgaan. Omdat de transactie wél doorging, werd aan die voorwaarde niet voldaan.
Het hof acht het niet onaanvaardbaar dat De Jong & Laan zich op die voorwaarde beroept. Dat de uitkomst voor de ex-partners minder gunstig uitpakt dan bij een herwaardering het geval zou zijn geweest, maakt dat niet anders.
Ook resterende vorderingen afgewezen
Daarnaast lag nog een geschil over de directe opeisbaarheid van een restantbedrag van € 537.524 op grond van artikel 13 van de algemene bepalingen. Volgens de ex-partners had dit bedrag in één keer moeten worden uitbetaald, gelet op de beschikbare liquiditeiten na de transactie.
Het hof volgt ook hier de tekst van de overeenkomst: uitbetaling van goodwill geschiedt in jaarlijkse termijnen met 5% rente over het pro resto verschuldigde bedrag. Van een verplichting tot onmiddellijke betaling is geen sprake.
Ook een rentevordering van ruim € 25.000 wordt afgewezen wegens gebrek aan grondslag.
Proceskosten
Het hoger beroep faalt volledig. Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Overijssel en veroordeelt de ex-partners tot betaling van de proceskosten in hoger beroep: € 13.124 aan griffierecht en € 13.218 aan salaris advocaat. Daarmee lijkt het juridische geschil over de goodwillverdeling rond de entree van Waterland definitief beslecht – tenzij de ex-partners nog cassatieberoep instellen bij de Hoge Raad.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, ECLI:NL:GHARL:2026:1118


Geef een reactie