Leasemaatschappij Ayvens schatte eerder op basis van eigen data dat de uitspraak mogelijk gevolgen heeft voor 2.000 mensen die in 2020 in dezelfde situatie zaten. De schade per leaserijder zou ongeveer 100 euro netto per maand bedragen. De Belastingdienst heeft al laten weten in beroep te gaan tegen de uitspraak.
Waar gaat de zaak over?
De werknemer is gedurende het belastingjaar 2020 in dienstbetrekking werkzaam bij de werkgever.
Op 2 april 2019 heeft de werkgever een definitieve bestelling geplaatst voor de levering van een elektrische auto, om die aan de werknemer ter beschikking te stellen voor zakelijke en privédoeleinden.
De datum van eerste toelating (én tenaamstelling) van de auto is 20 mei 2020. Op dezelfde dag is de auto geleverd en door de werkgever aan de werknemer ter beschikking gesteld. De catalogusprijs van de auto is in het kentekenregister van de RDW geregistreerd op een bedrag van € 40.910 en de CO2-uitstoot op 0 gram per kilometer.
De werkgever heeft bij de inhouding van loonheffingen over het kalenderjaar 2020 een forfaitaire bijtelling wegens privégebruik van de auto in aanmerking genomen van 8% van de catalogusprijs van de auto.
Correctie bijtelling van 8% naar 4%
De werknemer heeft op 26 maart 2021 zijn aangifte IB/PVV 2020 ingediend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 53.353.
De werknemer heeft in zijn aangifte een negatieve correctie van € 945 aangegeven op het loon, met als toelichting ‘Corr bijt auto van 8% naar 4% over 40.910’. Op dezelfde dag heeft de werknemer een brief gestuurd naar de inspecteur waarin hij zijn standpunt met betrekking tot deze correctie op de bijtelling toelicht. de werknemer heeft de correctie berekend door uit te gaan van het bijtellingstarief dat voor elektrische auto’s gold in 2019 (4% in plaats van 8%).
Aanslag IB/PVV 2020 opgelegd
De inspecteur heeft met dagtekening 29 september 2023 de aanslag IB/PVV 2020 opgelegd aan de werknemer. De inspecteur is daarbij afgeweken van de aangifte en heeft de negatieve correctie van € 945 niet meegenomen. Het belastbaar inkomen uit werk en woning is vastgesteld op € 54.298.
Aanslag tot juiste bedrag opgelegd?
De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de aanslag IB/PVV 2020 tot het juiste bedrag heeft vastgesteld. Het geschil gaat alleen over het antwoord op de vraag of de inspecteur de correctie van de werknemer in verband met de ter beschikking gestelde auto van de zaak terecht niet heeft meegenomen. Heeft de werknemer recht heeft op het lagere bijtellingstarief zoals dat gold voor 2019.
‘Wetgever onvoldoende zorgvuldig bij invoering wetswijziging’
De werknemer stelt dat hij voor een voldongen feit is geplaatst door de aankondiging medio 2019 dat de bijtelling voor het privégebruik van elektrische auto’s zou worden verdubbeld. Op dat moment kon de werknemer niet meer van de bestelde auto af zonder forse kosten te maken. Op de zitting heeft de werknemer toegelicht dat hij voor de annulering van zijn bestelling een aanzienlijke afkoopsom zou moeten betalen (van enkele duizenden euro’s).
Volgens de werknemer is de wetgever onvoldoende zorgvuldig geweest bij de invoering van deze wetwijziging en heeft hij onvoldoende rekening gehouden met de nadelige gevolgen in individuele (overgangs)gevallen zoals dat van de werknemer. Als de werknemer van tevoren (ten tijde van zijn bestelling) had geweten van de wetswijziging per 2020, had hij een andere keuze gemaakt.
‘Auto besteld in 2019 niet relevant’
De inspecteur voert aan dat het feit dat de auto besteld is in 2019 fiscaal niet relevant is. De datum eerste toelating is bepalend voor het regime van de fiscale bijtelling. Volgens de inspecteur had de werknemer ook kunnen kiezen voor een auto die fysiek al in Nederland aanwezig was. Bovendien mag de eerste toelating al vóór de verkoop plaatsvinden. Het risico bevindt zich volgens de inspecteur daarom geheel in de commerciële sfeer. Verder is er naar de mening van de inspecteur geen strijd met het gelijkheidsbeginsel of het eigendomsgrondrecht zoals beschermd door het EVRM.
‘Wetgever heeft ruime beoordelingsvrijheid’
De inspecteur verwijst in dit verband onder meer naar het arrest van de Hoge Raad van 11 januari 2019, waar de algemene verlaging van het percentage voor de bijtelling van 25% naar 22% onderwerp van het geschil was. Daarnaast stelt de inspecteur dat de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid heeft om al dan niet een overgangsregeling in te voeren.
Tot slot volgt volgens de inspecteur uit de totstandkomingsgeschiedenis dat de wetgever de mogelijke verwachtingen van de burger ten aanzien van de fiscale bijtelling in dit geval uitdrukkelijk in zijn afwegingen heeft meegenomen.
Onomkeerbare financiële verplichtingen
Volgens de werknemer heeft de wetgever het eigendomsrecht, zoals vervat in artikel 1 EP van het EVRM, geschonden door geen overgangsrecht op te nemen voor gevallen waarin voorafgaand aan de aankondiging van de verhoging van de bijtelling al onomkeerbare (financiële) verplichtingen zijn aangegaan.
Schending door verdubbeling bijtelling
De rechtbank volgt de werknemer in zijn standpunt en oordeelt dat er is sprake van schending van artikel 1 EP van het EVRM bij artikel 13bis van de Wet op de loonbelasting 1964 door de verdubbeling van het bijtellingspercentage voor het privégebruik van nulemissieauto’s in het belastingjaar 2020.
Dit geldt voor de specifieke groep belastingplichtigen die op het moment van aankondigen van de verdubbeling van de bijtelling al redelijkerwijs onomkeerbare (financiële) verplichtingen waren aangegaan. Er is geen sprake van ‘fair balance’ voor deze specifieke groep en er zijn geen specifieke en dwingende redenen voor de aantasting van de gerechtvaardigde verwachtingen.
Rekening houden met bijtelling van 4%
In het geval van de werknemer moet er rekening worden gehouden met het bijtellingspercentage van vóór de aankondiging, dus 4%.
Rechtbank Midden-Nederland, 10 juli 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:2815


Wat een grappige uitspraak.
Zou deze zaak ook aangespannen zijn als het percentage van 4% naar 0% was gegaan?
Dan voorzie ik straks enorm veel rechtszaken als de hypotheekrenteaftrek wordt afgeschaft.
Ook hier is namelijk een keuze gemaakt op basis van fiscale voordelen.
Wellicht kan er al één gestart worden, want de huidige afbouw is ook een inbreuk op het eigendomsrecht.
En mogen banken ook aangeklaagd worden als ze een hogere rente eisen na afloop van de rentevastperiode (het rentepercentage kan je immers niet levenslang vastzetten)? Bij lager zal overigens niemand klagen. Toch?
En wat te denken van de gedupeerde sjoemeldieselrijders die nog nooit een cent compensatie (€ 3000) hebben ontvangen, omdat de rechter de autobranche simpelweg niet veroordeeld heeft.
Diezelfde sjoemeldieselrijder werd daarna weer gepakt met een fijnstoftoeslag. Die hadden ook wel een andere keuze gemaakt als ze dat allemaal van te voren hadden geweten. Geloof me dat zij zich wel flink belazerd voelen.
Toch nog een extra opmerking.
Wat wordt er bedoeld met het eigendomsrecht van de werknemer?
Ik kan mij alleen zoiets voorstellen bij de ondernemer/dga, maar niet bij de werknemer (sv-verzekerd) in loondienst.
De werknemer (sv-verzekerd) krijgt de auto terbeschikking. Oftewel het eigendom ligt of bij de werkgever of bij de leasemaatschappij.
Wellicht kan een jurist mij dit uitleggen?