Zaak nrs: 25/1345, 25/1346, 25/1347 Wtra AK
Een autobedrijf schakelt een accountantskantoor in om de jaarrekeningen voor de gebroken boekjaren 1 april 2021 – 31 maart 2022 en 1 april 2022 – 31 maart 2023 te controleren. In de opdrachtbrief is vermeld dat het honorarium is gebaseerd op de tijdsbesteding van het team, met vermelding van de geldende uurtarieven per functieniveau. Er is ook een begroot honorarium opgenomen, dat gebaseerd is op een aantal veronderstellingen die zijn uiteengezet in een bijlage.
Rekening pakt fors hoger uit
Voor de jaarrekening 2021/2022 komt de begroting uit op € 48.500 plus € 8.500 voor eenmalige kosten. In werkelijkheid krijgt de klant een rekening van ruim € 190.000 voor de kiezen, plus ruim € 34.000 voor andere werkzaamheden. Na enig tegenstribbelen worden de rekeningen betaald.
Voor boekjaar 2022/2023 komt het niet tot een getekende controleverklaring. Er is een meningsverschil over een juridische herstructurering waarbij het bedrijf de eigendom van een dochterbedrijf heeft overgedragen aan een andere entiteit met dezelfde eigenaar. De verkoopprijs bedroeg € 1,25 miljoen en dat wordt in de conceptjaarrekening 2022/2023 als vermogen opgevoerd. Maar door de directie is aangegeven dat de waarde van de onderneming niet meer dan € 1 bedraagt. “Dit matcht niet met elkaar”, concluderen de accountants. Een andere verschuiving binnen de onderneming, waarbij twee bv’s onder een andere bv komen te hangen, zorgt ook voor vragen vanwege het ontbreken van een waarderingsrapport. Het voorstel is om daarvoor een deskundige in te schakelen.
Lees ook het verslag van de zitting in deze zaak, met meer details
Deugdelijk gecommuniceerd
Maar zover komt het niet. De controle van de jaarrekening 2021/2022 is afgerond met de afgifte van een goedkeurende controleverklaring, maar de jaarrekening 2022/2023 moet het zonder stellen vanwege het ontbreken van voldoende controle-informatie. Wel legt de accountantsorganisatie een nota van ruim € 192.000 neer. Bij de Accountantskamer klaagt het bedrijf erover dat de gepeperde rekeningen niet zijn toegelicht en dat de RA en de AA niet tijdig over de noodzaak van een waarderingsrapport zijn begonnen.
De Accountantskamer oordeelt dat de RA niet bewust en te kwader trouw onjuiste of misleidende declaraties heeft ingediend. Ook zijn specificaties van de facturen gestuurd. De onzorgvuldige communicatie over de facturen is onvoldoende onderbouwd, want het kantoor heeft aangegeven dat met de financieel directeur over de facturen is gesproken en dat er ook tussentijdse gesprekken zijn geweest. “Daaruit blijkt inderdaad dat er wel deugdelijk is gecommuniceerd waarbij overschrijdingen zijn besproken en betalingsafspraken zijn gemaakt.” In een mail geeft de directeur aan dat de nota’s zullen worden betaald en bovendien zijn facturen steeds tussentijds betaald. “Daaraan mocht [de RA] het vertrouwen ontlenen dat nadere communicatie daarover niet nodig was.”
Terecht vragen gesteld
De klacht over het niet wijzen op een waarderingsrapport wordt ook afgewezen. Het kantoor heeft zelf aangedrongen op het inschakelen van een deskundige, maar daar heeft het bedrijf niet op gereageerd. “Aangenomen kan worden dat [de RA] terecht vragen heeft gesteld over het zakelijke karakter van de verhanging. Met de door het management van klaagster ingeschakelde partij Audit Ready is over dit onderwerp gesproken. Op 26 september 2024 kwamen volgens betrokkenen antwoorden, die als onvoldoende zijn beoordeeld.”
Geen adviesopdracht
Dat het toepassen van IFRS een optie was en dat die door de RA en de AA genoemd had moeten worden, wordt ook verworpen door de tuchtrechter. Wat dat betreft verwijzen de accountants terecht naar de opdrachtbrief waarin staat dat de jaarrekening volgens BW2 Titel 9 wordt opgesteld. “Betrokkenen hadden de opdracht deze door het bestuur opgestelde jaarrekening te controleren en hadden geen opdracht om het bestuur te adviseren over het wijzigen van het stelsel van externe verslaggeving. Klaagster heeft niet aannemelijk gemaakt waarom op betrokkenen een verplichting zou rusten om klaagster een dergelijk alternatief voor te stellen.”
Triggering event
Overigens is niet duidelijk waarom een waarderingsrapport niet vereist zou zijn bij toepassing van IFRS omdat de ‘verhanging’ de overdracht van een 100%-belang betreft aan een andere entiteit die dezelfde uiteindelijke aandeelhouder heeft als de groep ondernemingen, maar geen groepsmaatschappij is. “Daarmee is wel sprake van een ‘transactie onder gemeenschappelijke leiding’ maar vanuit het perspectief van [het bedrijf] niet van een intragroeptransactie.”
De verkoop voor een bedrag van € 1, ver beneden de nettovermogenswaarde van € 1,25 miljoen, roept vragen op over de waarde van de in de balans opgenomen goodwill en actieve belastinglatenties. “De overdrachtsprijs is daarmee een ’triggering event’ voor mogelijke waardevermindering. Het was daarom van belang de realiseerbare waarde van de deelneming te bepalen en de boekwaarde dienovereenkomstig aan te passen, om ervoor te zorgen dat de boekwaarde van de in de balans gepresenteerde activa in lijn is met de realiseerbare waarde”, aldus de Accountantskamer.
Geen bedreiging, maar signaal afgeven
De AA is nog expliciet gevraagd hoe de controleverklaring eruit zou zien. Hij heeft laten weten: “Wanneer wij nu een verklaring bij de huidige conceptjaarrekening zouden moeten verstrekken zal dit vanuit verschillende aspecten tot een afkeurende verklaring leiden.” Dat is niet tuchtrechtelijk verwijtbaar, is het oordeel. “Hoewel het beter was geweest als van de kant van betrokkenen gecommuniceerd was dat er onder de omstandigheden geen goedkeurende controleverklaring zou kunnen worden afgegeven, acht de Accountantskamer het niet tuchtrechtelijk verwijtbaar dat [de AA] heeft gereageerd zoals in zijn e-mail is verwoord omdat expliciet was gevraagd hoe de controleverklaring zou luiden.”
“De Accountantskamer leest daarin geen vorm van bedreiging en het lijkt er veeleer op dat [de AA] een signaal heeft willen afgeven dat het handhaven van de waardering van de goodwill en de actieve belastinglatenties in combinatie met een overdrachtsprijs die op mogelijke waardevermindering van die posten wijst, consequenties voor de controleverklaring zou hebben. Het klachtonderdeel is dan ook ongegrond.”


Geef een reactie