De Kamerbrief waarin staatssecretaris Van Oostenbruggen (Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane) en staatssecretaris Tielen (VWS) hun plannen ontvouwen, is een vervolg op de zogenoemde contourenbrief van april 2024. Daarin werden vijf varianten gepresenteerd voor een suikergebaseerde verbruiksbelasting. In de huidige situatie geldt een uniform tarief van €26,13 per hectoliter voor alle alcoholvrije dranken. In de nieuwe voorstellen wordt dat vervangen door een staffel die oploopt naarmate een drank meer suiker bevat. Het kabinet presenteert vijf scenario’s maar spreekt geen voorkeur uit vanwege zijn demissionaire status.
Scenario I: geen alcoholvrije dranken uitgezonderd
Scenario II: alleen mineraalwater uitgezonderd
Scenario III: mineraalwater uitgezonderd, zuivel- en sojadranken met een laag suikergehalte uitgezonderd
Scenario IVa: mineraalwater uitgezonderd, zuivel- en sojadranken uitgezonderd, pure vruchten- en groentesappen belast met het laagste tarief
Scenario IVb: mineraalwater uitgezonderd, zuivel- en sojadranken uitgezonderd, pure vruchten- en groentesappen uitgezonderd.
Alleen belasting op toegevoegde suikers?
Het demissionaire kabinet heeft bij de behandeling van het Belastingplan 2025 toegezegd twee extra scenario’s toe te lichten (scenario’s V en VI). In scenario V worden uitsluitend dranken met toegevoegde suiker belast. Dit betekent dat onder meer zuiveldranken zonder toegevoegde suikers, pure vruchtensappen én light- of zero-frisdranken geheel buiten de belasting vallen. Volgens het kabinet zou dit leiden tot een sterke stijging van het tarief voor de overblijvende (wel belaste) categorieën, om budgetneutraliteit te waarborgen. Omdat zero-dranken naar schatting 10% van het totale verkoopvolume uitmaken, zou hun vrijstelling een flinke impact hebben.
Kanttekening bij dit scenario is dat de Gezondheidsraad geen onderscheid maakt tussen van nature aanwezige en toegevoegde suikers: beide dragen bij aan een verhoogde suikerconsumptie. Ook zero-dranken zijn volgens het Voedingscentrum niet zonder gezondheidsrisico’s, bijvoorbeeld vanwege hun zuurgehalte.
Plantaardige zuivelvervangers vrijstellen?
In scenario VI wordt verder gegaan met het uitzonderen van categorieën: naast mineraalwater, zuivel- en sojadranken en pure sappen, zouden ook andere plantaardige zuivelvervangers (zoals havermelk en amandelmelk) vrijgesteld worden van verbruiksbelasting. Vanuit gezondheidsperspectief is dat echter lastig te verdedigen. Alleen sojadrank komt qua voedingswaarde in de buurt van gewone melk. Andere plantaardige alternatieven bevatten doorgaans minder eiwit en worden door het Voedingscentrum niet als volwaardige vervangers beschouwd.
Daarnaast levert deze uitzonderingsvariant aanzienlijke afbakeningsproblemen op. Wanneer is een drank precies een ‘plantaardige zuivelvervanger’? En hoe controleer je dat objectief? Het Douane Laboratorium kan dat op basis van ingrediënten niet altijd vaststellen, waardoor de controleerbaarheid onder druk komt te staan.
Omdat het hier om een kleine marktcategorie gaat, verwacht het kabinet dat de tarieven in scenario VI slechts marginaal zullen stijgen ten opzichte van het meest belastende scenario tot nu toe (scenario IVb). Maar net als bij scenario V kan het RIVM geen doorrekening maken vanwege het gebrek aan betrouwbare data.
Alcoholaccijns en staatssteun
Een ander punt in de Kamerbrief betreft de koppeling met de bieraccijns. Vanuit het uitgangspunt dat alcoholvrij niet zwaarder mag worden belast dan alcoholhoudend bier, zou een verhoging van de suikerbelasting ook gevolgen hebben voor de minimumaccijns op bier. In scenario III bijvoorbeeld zou het accijnsbedrag op een flesje pils met 5% alcohol met 2 cent moeten stijgen om gelijke tred te houden.
Tot slot benoemt het kabinet de staatssteunrisico’s. Als bepaalde productgroepen worden uitgezonderd (zoals plantaardige dranken of sappen), ontstaat mogelijk verboden overheidssteun. Dit kan een goedkeuringstraject bij de Europese Commissie noodzakelijk maken, wat de invoering van de wetgeving zou kunnen vertragen.
Geen voorkeur, wel richting
Omdat het kabinet demissionair is, spreekt het geen voorkeur uit voor één van de scenario’s. Het is aan de Tweede Kamer om een richting te kiezen. Vervolgens kan het kabinet dat scenario verder uitwerken in een wetsvoorstel, inclusief concrete tarieven, uitvoeringslasten en juridische toetsing.
Lees hier de Kamerbrief.


Geef een reactie