Het echtpaar dat ooit samen een reisbureau runde, kwam na de scheiding in 1996 in een situatie terecht waarin de BV zonder activiteiten verderging met één grote verplichting: de pensioenuitkering aan de ex-man, de voormalig directeur. De onderneming stopte in 1998 en verkocht later haar bedrijfspand. De BV had daarna geen inkomstenbron meer, behalve het aanwezige vermogen waaruit het pensioen moest worden betaald.
Kapitaaluitkering
De vrouw was enig bestuurder en aandeelhouder van de BV en besloot in 2009 het geplaatste kapitaal met ruim € 160.000 te verlagen. Ze keerde dit bedrag aan zichzelf uit. Haar ex-man naderde op dat moment de pensioengerechtigde leeftijd.
Betalingsstop
Aanvankelijk was er geen probleem. De ex-man kreeg keurig op tijd zijn pensioenuitkeringen, maar vanaf 2021 kreeg hij geen geld meer. De ex-man stapte naar de rechter en stelde eerst de BV en later zijn ex-vrouw (de bestuurder) persoonlijk aansprakelijk. Hij eiste € 129.332. De kantonrechter veroordeelde de BV, maar daar bleek geen geld meer in te zitten waardoor de man alsnog achter het net dreigde te vissen. Een gang naar de rechtbank bleek onvermijdelijk.
Formeel correct
Opvallend in deze zaak is dat de kapitaalvermindering zelf volledig volgens de regels was uitgevoerd. Er was een verklaring van geen bezwaar, het besluit lag ter inzage en de publicatie vond plaats in een landelijk dagblad. Toch achtte de rechtbank Noord-Holland het handelen van de bestuurder (de ex-vrouw) onrechtmatig.
Voorzienbaar risico
Cruciaal was dat zij wist – of had moeten begrijpen – dat de pensioenverplichting alleen kon worden voldaan uit het aanwezige vermogen. Door ruim € 160.000 uit de BV te halen, ontstond een situatie waarin de vennootschap op termijn onvermijdelijk haar pensioenverplichtingen niet meer zou kunnen nakomen. De bestuurder had ook niet de moeite genomen om een commerciële waardeberekening van de pensioenlast te laten opstellen, terwijl dat gezien de omvang van de verplichting voor de hand had gelegen. Dat de ex-man als pensioengerechtigde niet in verzet was gekomen, maakte daarbij niets uit: hij was nooit persoonlijk geïnformeerd, terwijl de bestuurder wist dat hij de enige relevante schuldeiser was.
Verweer verworpen
De vrouw verdedigde zich door te stellen dat de uitkering van 160 duizend euro eigenlijk een nabetaling van directiesalaris was dat zij nog tegoed had. De rechter veegde die redenering van tafel omdat de BV al ruim tien jaar geen activiteiten meer had en geen bewijs was van een openstaande vordering. Daarnaast stelde hij dat een kapitaalvermindering juridisch niet hetzelfde is als een salarisbetaling: het eigen vermogen neemt simpelweg af.
Aansprakelijk
De rechtbank stelde vast dat er geen andere oorzaken waren voor de latere betalingsonmacht. Er waren geen andere crediteuren, geen onverwachte verliezen en het vermogen was uitsluitend door de kapitaalvermindering substantieel gedaald. Dat maakte de bestuurder zowel in haar rol als bestuurder als in haar rol als aandeelhouder aansprakelijk. Belangrijk is dat de rechter expliciet meewoog dat de levensverwachting van de pensioengerechtigde de bestuurder had moeten waarschuwen: het was voorzienbaar dat het resterende vermogen niet toereikend zou zijn voor een levenslange uitkering.
Schadebedrag
Omdat de pensioenuitkeringen sinds maart 2021 waren weggevallen, stond vast dat er financiële schade was. De bestuurder betwistte de hoogte niet concreet, waardoor de rechtbank de actuariële berekening accepteerde: een waarde van ruim € 115.000 plus achterstallige termijnen, in totaal € 129.332. Ook toekomstige schade werd direct vastgesteld.
Hof oordeelt gelijk, bedrag lager
De vrouw ging in hoger beroep. Het hof bevestigde de uitspraak van de rechter, wat betekent dat haar aansprakelijkheid overeind bleef. Waar het hof wel afweek, was de schadeberekening. Anders dan de rechtbank rekende hof met bruto pensioenbedragen. Omdat schade wegens gederfd pensioen fiscaal als loon uit vroegere dienstbetrekking moet worden gezien, moet die bruto worden vastgesteld, aldus het hof. Daarmee viel de totale schade beduidend lager uit, namelijk € 98.495,48.
Lees hier het vonnis.



Geef een reactie