Op zijn LinkedIn-pagina maakt Vissers zelf duidelijk dat hij ook achter deze klacht zit. Eerder spande de Limburger onder meer ook een zaak aan tegen de accountant van milieuorganisatie Greenpeace. Zowel bij de Accountantskamer als in hoger beroep bereikte hij daar weinig mee, net als met zijn procedure bij de Raad van State.
Zaak nr: 25/2288 Wtra AK
Tuchtklacht
Dit keer richtte de RA zijn pijlen op een andere RA, die sinds april 2022 lid is van de CEA. Vissers stelde dat de CEA met de invoering van eindtermen voor de zogenoemde MKB-oriëntatie buiten haar wettelijke bevoegdheden is getreden. Volgens hem schrijft de Wet op het accountantsberoep voor dat de accountantsopleiding moet voldoen aan eindtermen die van belang zijn voor controles van financiële verantwoordingen, terwijl de MKB-oriëntatie juist opleidt voor accountants zonder certificeringsbevoegdheid. Het CEA-lid had volgens Vissers daarom zijn benoeming niet mogen aanvaarden zonder eerst vast te stellen dat de eindtermen wettig waren.
Ook verweet hij de accountant dat die na zijn aantreden niet heeft aangedrongen op intrekking van de volgens hem onrechtmatige eindtermen, geen afstand heeft genomen van het beleid van de commissie en heeft meegewerkt aan de accreditatie van opleidingen die op die eindtermen zijn gebaseerd.
CEA-besluiten niet via tuchtrecht bestrijden
Volgens de Accountantskamer draait de zaak in de kern om de stelling van Vissers dat het Besluit gewijzigde eindtermen accountantsopleidingen 2016 geen deugdelijke wettelijke grondslag heeft. De klacht richt zich daarom niet zozeer op individueel handelen van het CEA-lid, maar op de rechtmatigheid van de door de CEA vastgestelde eindtermen.
De tuchtrechter stelt voorop dat de CEA een zelfstandig bestuursorgaan is met een wettelijke taak. Op grond van de Wet op het accountantsberoep stelt de commissie eindtermen voor de accountantsopleiding vast en wijst zij opleidingen aan die daaraan voldoen. Het besluit waarin de gewijzigde eindtermen zijn opgenomen, is volgens de Accountantskamer vanwege de aard van de normstelling aan te merken als een algemeen verbindend voorschrift. De eindtermen zijn in januari 2021 in de Staatscourant gepubliceerd en sinds september van dat jaar van kracht.
Het betrokken CEA-lid voerde aan dat Vissers feitelijk een oordeel van de Accountantskamer vroeg over de geldigheid van dat besluit. Hoewel de tuchtrechter erkent dat zij niet is belast met een dergelijke beoordeling, maakt dat de klacht volgens de kamer niet niet-ontvankelijk. De Wet tuchtrechtspraak accountants kent een lage ontvankelijkheidsdrempel: wanneer een klager stelt dat een accountant heeft gehandeld in strijd met de beroepsregels, kan de klacht in beginsel inhoudelijk worden beoordeeld.
Terughoudende toetsing
Bij die inhoudelijke beoordeling geldt volgens de Accountantskamer echter een hogere drempel. Een klager moet voldoende concrete feiten en omstandigheden aanvoeren die betrekking hebben op het handelen van de aangeklaagde accountant zelf.
Daar schort het volgens de tuchtrechter aan. De verweten gedragingen hangen volledig samen met de opvatting van Vissers dat de eindtermen voor de MKB-oriëntatie onrechtmatig zijn. De Accountantskamer benadrukt dat de CEA haar besluiten als commissie neemt en dat individuele commissieleden daarvoor niet zelfstandig verantwoordelijk kunnen worden gehouden. Bovendien was het betrokken commissielid pas vanaf april 2022 lid van de CEA, terwijl het bestreden besluit al eerder tot stand was gekomen.
De tuchtrechter merkt verder op dat het lidmaatschap van de CEA weliswaar een professionele dienst in de zin van de VGBA vormt, omdat daarbij vakbekwaamheid als accountant wordt aangewend of kan worden aangewend, maar dat toetsing van handelen van CEA-leden terughoudend moet plaatsvinden. Gezien de wettelijke positie van de commissie en het toezicht van de minister van Financiën is volgens de Accountantskamer alleen in uitzonderlijke gevallen plaats voor tuchtrechtelijk ingrijpen.
Een tuchtprocedure is volgens de uitspraak in beginsel niet bedoeld om de inhoud of de totstandkoming van besluiten van de CEA ter discussie te stellen. De Accountantskamer oordeelt daarom dat niet kan worden vastgesteld dat het commissielid door het aanvaarden van zijn benoeming, het niet intrekken van de eindtermen of het accrediteren van opleidingen een fundamenteel beginsel uit de VGBA heeft geschonden.
Een verdergaande beoordeling zou volgens de tuchtrechter neerkomen op een ontoelaatbare inbreuk op de regelgevende bevoegdheid van de CEA en het toezicht daarop door de minister van Financiën. Om die reden werden alle klachtonderdelen ongegrond verklaard.
Reactie Vissers
Op LinkedIn schrijft Vissers over de uitspraak: “De accountantskamer heeft mijn tuchtklacht tegen een lid van de CEA op alle onderdelen ongegrond verklaard onder verwijzing naar een terughoudende toetsing van de regelgeving en wil niet in de bevoegdheid van de toezichthouder, de minister van financiën treden. Die benadering getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, de Accountantskamer moet exceptief toetsen aan zowel formele wetten als aan het Unierecht. Het kan niet zo zijn dat burgers bij minimale overtredingen worden berispt, en dat ambtsdragers van overheden (CEA, NBA) de wet systematisch kunnen overtreden zonder consequenties. Ik zal in beroep gaan bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.”


Geef een reactie