‘Dat is je geraden ook.’ Joost loopt rood aan. ‘Hier, dit moet je lezen. Dit kreeg ik vanmorgen van onze vertrouwenspersoon aangereikt. Er is een klacht tegen mij ingediend. Wie dat heeft gedaan mocht ze niet vertellen. Seksuele intimidatie. Nou, ik kan wel raden wie dat zijn. Jij ook?’
Pascal schrikt. Over wie het gedaan heeft hoeft hij niet lang na te denken. Kennelijk hebben Chantal en Marga na hun laatste rondetafelgesprek nog apart doorgepraat. Dat betekent dat hij erbuiten is gehouden.
‘Ik dacht dat jij ervoor zou zorgen dat die vrouwen hun mond zouden houden. Dat je in die rondetafelgesprekken zou aangeven dat aangifte doen geen zin heeft. Ik heb je nog een handje geholpen, weet je nog.’ Joost staat op, zijn lichaam buigt over het bureau en zijn hoofd komt vervaarlijk dicht bij Pascal.
‘Het is heel vervelend wat u nu meemaakt,’ zegt Pascal verontschuldigend.
‘Vervelend?’ De ogen van Joost schieten vuur. ‘Noem jij dat vervelend? Het is een ramp. Mijn hele reputatie staat op het spel, en dat laat ik niet gebeuren. Daar ga jij voor zorgen.’
Pascal voelt zich warm worden. Hij wil zijn jasje uitdoen, maar dat vindt hij niet zo professioneel. Zijn gedachten draaien op volle toeren. Wil Joost dat hij dit probleem voor hem gaat oplossen? Hij zou niet weten hoe, en eigenlijk vindt hij diep vanbinnen dat het helemaal niet erg is dat Joost nu eindelijk met zijn gedrag wordt geconfronteerd. Na het laatste gesprek met Joost ging hij met een vervelend gevoel naar huis. Hij had gemerkt dat Joost ook niet zoveel ophad met zijn relatie met een man. Maar ja, dat kon hij natuurlijk niet zomaar zeggen.
‘Misschien is het goed dat we eerst weer rust creëren,’ zegt Pascal. ‘Laten we de feiten op een rij zetten.’
Het blijft stil. Joost gaat weer in zijn stoel zitten. ‘Sorry dat ik mij zo liet gaan. We moeten hier samen uitkomen. Zal ik eerst een kop koffie regelen?’ Hij pakt de telefoon.
Een paar minuten later staan er twee kopjes en een kan water met glazen op het bureau van Joost.
‘Wie weten er binnen het kantoor allemaal van?’ wil Pascal weten.
‘Alleen Sofie, onze vertrouwenspersoon en klachtencoördinator, en ik. En twee personen van wie ik officieel niet weet wie het zijn, maar bij wie ik wel een sterk vermoeden heb.’
‘Chantal en Marga,’ vult Pascal aan.
‘Ja, die. Ik kan hun namen niet over mijn lippen krijgen. Het is zo makkelijk scoren. Ik heb ze misschien een keer aangeraakt, en dan ook nog per ongeluk. Dan kunnen ze toch niet zomaar een melding doen bij ons kantoor?’
‘Het staat iedereen vrij om een melding te doen. Het is vervolgens aan de vertrouwenspersoon om uit te zoeken hoe terecht die melding is.’
Joost slaat met zijn hand op het bureau.
‘Maar het kan toch niet zo zijn dat een paar mensen samenspannen en dat ik daar de dupe van word?’
Pascal houdt zich even stil, totdat Joost weer bedaard is.
‘Ik vind het vervelend als u iedere keer zo agressief wordt. Zo komt het althans op mij over. Ik wil kijken hoe ik u kan helpen, maar dan is het wel belangrijk dat we de rust bewaren.’
Joost kijkt Pascal aan. ‘Ik zal me inhouden. Maar weet dat ik mij belaagd voel door deze dames.’
‘Welke stappen moeten er worden gezet als er een klacht of een melding is ontvangen?’
Joost haalt zijn schouders op. ‘Ik zou het niet precies weten. Nooit eerder mee te maken gehad. Maar ik zal eens in ons interne systeem kijken.’ Hij typt een paar keer op zijn toetsenbord en draait even later zijn scherm naar Pascal toe. ‘Kijk, hier is het reglement.’
Pascal vraagt of hij het toetsenbord even mag vasthouden en scrolt dan langzaam naar beneden.
‘Jullie hebben een standaardreglement. Dat houdt in dat jullie vertrouwenspersoon niet zelfstandig op onderzoek mag uitgaan om vast te stellen of de klacht terecht is. Ze is meer procesbegeleider. Ze probeert een gesprek mogelijk te maken tussen u en degenen die de klacht hebben ingediend, om te zien of jullie tot een oplossing kunnen komen.’
Joost zucht diep.
‘Dus Sofie gaat niet achter mijn rug om met iedereen praten om uit te zoeken of ik iets heb gedaan?’
‘Nee, dat recht heeft ze niet. Dat staat duidelijk in het reglement. Wel kan ze, als u een gesprek weigert, een klachtencommissie inschakelen. Die zal u en de klagers dan uitnodigen.’
‘Met die dames praten? Ik zie er nu het nut niet van in,’ reageert Joost fel.
Pascal aarzelt. Hij weet wat hij zo meteen gaat zeggen, en hij weet ook dat hij het beter niet kan zeggen.
‘Er is ook een andere mogelijkheid,’ begint hij. ‘U kunt het gesprek aangaan zonder dat er iets tegenover staat. Gewoon luisteren naar wat ze te zeggen hebben. Soms is dat genoeg. Soms is dat zelfs het enige wat mensen willen.’
Joost kijkt hem aan alsof hij een vreemde taal spreekt. ‘Luisteren,’ zegt hij. ‘En dan?’
‘En dan is het klaar,’ zegt Pascal.
‘En dan staat het over een halfjaar in de krant.’ Joost schudt zijn hoofd. ‘Kom op, Pascal. Ik betaal je niet om te luisteren. Waar zou een advocaat op aansturen?’
Daar is het. Pascal voelt hoe de vraag hem terugduwt in zijn rol, en hij laat het gebeuren. Hij hoort zichzelf beginnen, en het klinkt rustig en deskundig, zoals het hoort.
‘Als ik u mag adviseren: houd het klein. Ga met die dames het gesprek aan. Hoor wat hun grieven zijn, en kijk of u hen op de een of andere manier kunt compenseren. Daarna maakt u een zogenoemde vaststellingsovereenkomst op. Die gaat in de kluis, en dan bent u ervan af.’
‘Wie moeten er bij dat gesprek aanwezig zijn? Behalve de klagers en ik?’
‘In ieder geval de vertrouwenspersoon van uw kantoor. En wellicht willen de klagers ook nog iemand bij het gesprek hebben.’
‘Lekker. Dan ligt het straks alsnog op straat.’
‘Nee. Vooraf tekent u allemaal een geheimhoudingsverklaring, en daarin neemt u een forse boete op voor wie zijn mond voorbijpraat.’
‘Dank je. Ik laat een gesprek regelen. Eens horen wat die klachten nu precies zijn. Maar ik trek niet zomaar de portemonnee. En wat betreft jouw uren: die mag je op maatschapsaangelegenheden schrijven.’
Pascal doet zijn notebook in zijn tas en staat op.
‘Nog een ding,’ zegt Joost. ‘Laat die dames alsjeblieft weten dat het klinkklare onzin is wat ze nu aan het doen zijn.’
Pascal knikt. ‘Ik zal kijken wat ik kan doen.’
Als Pascal buiten is en op zijn fiets stapt, duizelt het hem nog steeds. Hij heeft bewondering voor het lef van Chantal en Marga. Tegelijkertijd worstelt hij met de vraag hoe hij op een professionele manier de belangen van Joost kan behartigen.
Hij had het geprobeerd, denkt hij. Hij had gezegd dat luisteren ook een mogelijkheid was. Maar hij weet ook hoe snel hij dat had losgelaten, en hoe gemakkelijk de rest eruit was gekomen.
Misschien moet hij daarover maar eens met de deken van gedachten wisselen.
Jan Wietsma
Hier lees je de eerdere afleveringen van seizoen 4 van dit feuilleton


Geef een reactie