Een bedrijf ging failliet. De curator vermoedde dat er vlak voor het faillissement voorraden waren verdwenen en gaf een register-accountant opdracht onderzoek te doen. De bestuurder diende een klacht in bij de Accountantskamer omdat hij vond dat de accountant het onderzoek niet goed had gedaan en er ook helemaal niet bevoegd voor was.
Gegijzeld
De voorraadpositie van het failliete bedrijf was in kaart gebracht door een taxatiebureau. De curator kreeg echter auditfiles van het accountantskantoor dat de jaarrekening van het failliete bedrijf had opgesteld. Er bleek een groot verschil tussen beide lijsten. De bestuurder weigerde opheldering te geven en werd twee maanden gegijzeld om hem tot een verklaring te dwingen. De curator liet de register-accountant onderzoek doen.
Onzichtbaar gemaakt
Uit diens conceptrapport bleek dat er een voorraadlocatie was geweest die per datum faillissement was verdwenen. De locatie was niet zichtbaar in het administratiesysteem. Navraag leerde dat de bestuurder de webdesigner had verzocht de locatie onzichtbaar te maken. Nadat het webbedrijf het administratiesysteem weer toegankelijk had gemaakt, kon de accountant de logbestanden raadplegen. Hij schreef daarover in zijn rapport: ‘Uit de logfiles blijkt dat de bundels die aan de betreffende bovenstaande orders gekoppeld waren op 1 oktober door de bestuurder zijn gemuteerd naar een status “Bundel definitief verwijderd” of “Bundel onzichtbaar”.’
Klacht bij Accountantskamer
Volgens de bestuurder was de accountant zijn boekje te buiten gegaan. Hij diende een klacht in bij de Accountantskamer. Eén van de klachten luidde dat de accountant zich bij het opstellen van zijn rapport niet had gehouden aan de Standaard 4400N ‘Overige opdrachten’. Ook zou hij het onderzoek fragmentarisch hebben uitgevoerd. Een andere klacht was dat de accountant niet gekwalificeerd was om een financieel forensisch onderzoek te doen, omdat hij niet was ingeschreven bij het Nederlands Financieel Forensisch Instituut (NFFI). Het onderzoek zou volgens de klager ook niet hebben voldaan aan de eisen waaraan een financieel forensisch onderzoek volgens het NFFI en het Nederlands Register Gerechtelijk Deskundigen (NRDG) moet voldoen.
Standaard 4400N
De beschuldigde accountant verdedigde zich door te stellen dat Standaard 4400N niet van toepassing was op de opdracht. Het ging volgens hem om een persoonsgericht onderzoek, althans een onderzoek met persoonsgerichte aspecten. De Accountantskamer ging in dit verweer mee. De accountant had de opdracht om de administratie van de failliete BV op een specifiek onderdeel te analyseren. Hoewel het object van onderzoek de administratie betrof, was de betrokkenheid van de (indirect) bestuurder (de klager) bij die administratie en daarmee bij het onderzoek van de accountant zodanig direct en intensief, dat het onderzoek onvermijdelijk zijn positie kan raken en op hem negatief kon terugslaan. Handreiking 1112 Persoonsgerichte onderzoeken sluit in paragraaf 2.2.2 de toepasselijkheid van de tot 1 januari 2018 geldende Standaard 4400 uit en accountant mocht daarom redelijkerwijs aannemen dat (ook) Standaard 4400N niet op de onderhavige opdracht van toepassing was, aldus de Accountantskamer.
Forensisch
Een andere klacht stelde dat de accountant niet gekwalificeerd was om een financieel forensisch onderzoek te doen, omdat hij niet stond ingeschreven bij het Nederlands Financieel Forensisch Instituut (NFFI). Het onderzoek zou ook niet aan de vereisten van het NFFI voldoen. De Accountantskamer vond ook deze klachten ongegrond. Een accountant is gebonden aan de eigen beroeps-
en gedragsregels, aldus de Accountantskamer, en dat het onderzoek en het
daarop gebaseerde rapport van de accountant in kwestie daaraan moesten worden getoetst. De klachtindiener had verzuimd te onderbouwen waarom een inschrijving bij het NFFI en/of het NRDG noodzakelijk zou zijn om als accountant een forensisch onderzoek te mogen verrichten en dat de accountant in kwestie gehouden was (ook) de protocollen en richtlijnen van het NFFI en/of het NRGD te
volgen. Hierbij tekende de Accountantskamer aan dat de accountant op goede gronden had bestreden dat het om een forensisch onderzoek ging, omdat betrokkene geen opdracht had een uitspraak te doen over de rechtmatigheid van de mutaties in de voorraad.
Lees hier de uitspraak in zaak 21/645 Wtra AK.


Omdat de bestuurder wellicht paulianeus heeft gehandeld door voorraden aan de boedel te onttrekken, hangt hem een strafzaak boven het hoofd als de Rechter Commissaris besluit de zaak voor te leggen aan het Functioneel Parket. Maar die zijn zo druk dat het wellicht niet tot een strafzaak komt. Dit zijn lastige momenten voor een curator die met dit soort situaties wordt geconfronteerd. Het accountants rapport kan hem op het goede spoor zetten in zijn besprekingen met de Rechter Commissaris. De klacht van de bestuurder bij de Accountantskamer lijkt daarom een vertragingstactiek. Dat is een nadeel van te veel regelgeving bij dit soort situaties.