Alleen een werknemer die vanwege een beëindigd dienstverband zijn certificaten van aandelen verplicht moest verkopen en daardoor een vermogensverlies leed kan dit nadeel als negatief loon aanmerken, zo oordeelt hof Den Haag.
In deze casus gaat het om een vrouw die in loondienst is bij een bv in de functie van senior manager. Voor het eerst in 2006 en later in 2014 koopt zij certificaten van aandelen in de moedermaatschappij van de bv. De gezamenlijke aanschafprijs van de certificaten is € 241.547.
In december 2016 worden de aandelen verkocht aan een derde. In de loop van 2017 en 2018 ontvangt zij voor haar verkochte certificaten een bedrag van € 95.397. Het daarbij geleden verlies van, afgerond, € 146.150 geeft zij in haar aangifte over 2017 aan als negatief loon.
Tegen de navorderingsaanslag IB/PVV 2016 die de inspecteur oplegt maakt de vrouw bezwaar en over de aangifte IB/PVV 2017 dient zij een herziene aangifte in die door de inspecteur als een bezwaar wordt aangemerkt.
In hoger beroep is het aan hof Den Haag om te beoordelen of de certificaten behoren tot het box 1 of box 3 inkomen en in dat laatste geval of rechtsherstel box 3 is geboden.
Volgens de vrouw moeten de certificaten bij de bepaling van het belastbaar inkomen uit werk en woning in aanmerking moeten worden genomen als loon uit dienstbetrekking, en niet bij de bepaling van het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen.
Het hof oordeelt dat de vrouw in de periode 2006 tot en met 2014 certificaten van aandelen heeft verworven tegen de waarde in het economisch verkeer. Die certificaten vormen daarna vermogensrechten die vanaf het moment van verwerving direct tot box 3 gaan behoren.
Geen fiscaal relevant causaal verband
Door het verwerven van de certificaten van aandelen tegen de waarde in het economische verkeer ontbreekt van het begin af aan een fiscaal relevant causaal verband met de dienstbetrekking. Dat de vrouw de certificaten heeft kunnen verwerven in haar hoedanigheid van werknemer maakt daarbij niet uit.
Het verlies op de certificaten kan alleen dus als negatief loon worden beschouwd als de opbrengst van de certificaten lager is dan de waarde in het economische verkeer, aldus het hof.
Een uitzondering hierop doet zich voor als een werknemer op grond van een beding in een overeenkomst met zijn werkgever verplicht is om bij beëindiging van zijn dienstbetrekking een transactie te verrichten waarbij hij een nadeel lijdt in de vermogenssfeer.
Dat nadeel kan dan aan de dienstbetrekking worden toegerekend en als gevolg daarvan als negatief loon in aanmerking worden genomen.
Het hof stelt dat in dit geval geen sprake is van een beëindiging van de dienstbetrekking van de vrouw met de bv, zodat hierdoor het verlies op de certificaten niet als negatief loon kan worden aangemerkt.
Het tweede bij het hof behandelde geschil richt zich op het feit of er rechtsherstel is geboden voor de vrouw. Onder verwijzing naar het (kerst) arrest van de Hoge Raad van 24 december 2021 neemt zij het standpunt in dat het voordeel uit sparen en beleggen als bedoeld in artikel 5.2, lid 1, Wet IB 2001 beperkt dient te worden tot de door haar daadwerkelijk genoten rente op bankrekeningen wat betreft haar aangifte IB/PVV over 2016.
Systeem van box 3 geldt pas vanaf 2017
Met dit argument, zo oordeelt het hof, gaat zij eraan voorbij dat het systeem van box 3 alleen geldt vanaf het jaar 2017 voor degene die door dit stelsel wordt geconfronteerd met een heffing naar een voordeel uit sparen en beleggen dat hoger is dan het werkelijk behaalde rendement.
En dit is alleen van toepassing als dit leidt tot een schending van artikel 1 Eerste Protocol (EP) en artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) gewaarborgde rechten waarvoor rechtsherstel moet worden geboden.
De vrouw beklaagt zich erover dat de Wet rechtsherstel box 3 er niet toe leidt dat de op basis van de Wet IB 2001 verschuldigde belasting in box 3 wordt verminderd en er aldus nog steeds meer in de heffing wordt betrokken dan het door haar werkelijk behaalde rendement.
Ter onderbouwing van haar standpunt heeft zij in hoger beroep een door haarzelf opgesteld overzicht over 2017 met de achterliggende bankafschriften en schermafdrukken van elektronisch bankieren overgelegd.
De inspecteur weerlegt deze gegevens niet en ook tijdens de zitting is er overeenstemming bereikt tussen de inspecteur en de vrouw over de waarde van de certificaten in 2016.
Nu het voordeel uit sparen en beleggen dat in de heffing is betrokken hoger is dan de werkelijk ontvangen rente die de vrouw heeft genoten, wordt zij geconfronteerd met een heffing over een voordeel uit sparen en beleggen dat groter is dan het werkelijk behaalde rendement.
Daarom verlaagt het hof het box 3-inkomen voor 2017 tot het bedrag van de ontvangen rente. En is er op grond van het kerstarrest aanleiding om rechtsherstel te bieden, zo luidt het slotoordeel van het hof.


Geef een reactie