De voormalige partner bij EY die sinds enkele jaren flink in de clinch ligt met het accountantskantoor moest naar eigen zeggen zijn tweede huis verkopen om de kosten van alle procedures te kunnen betalen. Dat betekent echter nog niet dat zijn toegang tot het recht wordt belemmerd, oordeelt de rechtbank Oost-Brabant in een verzetprocedure die de voormalige EY’er was begonnen over de griffierechten die hij moest betalen.
EY-partner Wouter van Gelderen was enkele jaren geleden betrokken bij een project over geautomatiseerde factuurverwerking en zag dat een collega een van zijn presentaties had gedeeld met Accenture. Dat meldde hij bij een leidinggevende, maar die nam juist tegen Van Gelderen maatregelen: hij kreeg een lager salaris en werd later de laan uitgestuurd. Van Gelderen ziet zichzelf als klokkenluider en raakte in een groot aantal juridische procedures verwikkeld met EY.
Hoge kosten
Tot nu toe bleef dat zonder enig resultaat, en de hoge kosten voor alle procedures beginnen nu dus ook voor de voorheen zeer goed verdienende consultant behoorlijk aan te tikken. In 2022 vorderde Van Gelderen in twee kortgedingprocedures tegen EY betaling van een management fee van € 46.537,- per maand en ook nog een bedrag van ruim € 1,1 miljoen. Tevergeefs, want de voorzieningenrechter verklaarde zich in een vonnis op 20 maart 2023 onbevoegd om kennis te nemen van de vorderingen (vanwege het arbitraal beding in zijn partnerovereenkomst). De griffier van de rechtbank kwam daarna met een naheffing van griffierecht van tweemaal € 7.843,-. Dat werd ook Van Gelderen wat te gortig en dus kwam hij daartegen in verzet.
Verzetprocedure
In de verzetprocedure van Van Gelderen tegen het hoge griffierecht spreekt de rechtbank eerst uit onder welke omstandigheden er soms geen griffierecht hoeft te worden betaald: “De rechtbank overweegt, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 8 april 2016 (ECLI:NL:HR:2016:607), het volgende. De heffing van het griffierecht berust onder meer op de grond dat die heffing – kort gezegd – de eiser of verzoeker (vooraf) aanzet tot het maken van een afweging tussen de hoogte van dit griffierecht en zijn belang bij de zaak. Dit is, ook in het kader van artikel 6 EVRM, een legitieme grond voor de heffing van griffierecht, ook bij de allerlaagste inkomens. Voor beantwoording van de vraag of een verzet op de voet van artikel 29 Wgbz in een bepaald geval gegrond is in verband met het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op toegang tot de rechter, moet een afweging worden gemaakt tussen aan de ene kant de hoogte van het griffierecht en aan de andere kant de draagkracht van de betreffende rechtzoekende. Indien sprake is van financieel onvermogen om het griffierecht (volledig) te betalen, kan dat tot de conclusie leiden dat het niet-betalen van dat griffierecht verschoonbaar is.”
Tweede huis verkocht
Daarna constateert de rechtbank dat de voormalige EY’er weliswaar stelt dat hij de hoogte van het griffierecht exorbitant hoog vindt, maar dat hij zijn financiële draagkracht niet (althans onvoldoende) heeft onderbouwd. “[opposanten] heeft ter zitting verklaard dat hij als klokkenluider misstanden bij EY aan het licht heeft gebracht en dat hij daardoor in een moeilijke situatie terecht is gekomen, óók in financieel opzicht. [opposanten] heeft in dat verband aangegeven dat hij door het juridische conflict met EY zijn tweede huis (waarin hij niet woonachtig is) heeft moeten verkopen en dat hij aanzienlijke kosten voor rechtsbijstand heeft gemaakt (en mogelijk nog zal moeten maken). [opposanten] heeft ter zitting verder verklaard dat hij – ondanks alles – niet onvermogend is.”
Geen belemmering toegang recht
Gelet op de functie die Van Gelderen bij EY heeft vervuld acht de rechtbank het “zonder meer aannemelijk dat hij in financieel opzicht (veel) betere tijden heeft gekend dan nu, sinds de breuk met EY, het geval is. Dat is op zichzelf echter niet voldoende rechtvaardiging voor de conclusie dat het onverkort toepassen van artikel 29 Wgbz een schending zou opleveren van het in artikel 6 EVRM geregelde recht op toegang tot de rechter.”
De voormalige EY-partner verklaarde ter zitting zelf al dat hij het nageheven griffierecht wel kan voldoen, constateert de rechtbank. “Dat alleen maakt al dat de door [opposanten] getrokken vergelijking met de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland (die betrekking heeft op een verzoek van een uitgeprocedeerde asielzoeker zonder enig inkomen) niet op gaat. Daar komt nog bij dat het in voornoemde zaak van de rechtbank Noord-Nederland ging om de juridische vaststelling van een familierechtelijke betrekking tussen ouder en kind, een fundamenteel recht dat door artikel 8 EVRM wordt beschermd (het recht op ‘family life’), terwijl in het geval van [opposanten] primair een economisch belang aan de orde is. Ten slotte geldt dat [opposanten] al toegang tot de rechter heeft gehad: de voorzieningenrechter hééft zijn vorderingen in kort geding al beoordeeld. Het nageheven griffierecht heeft aldus geen, laat staan een ontoelaatbare, belemmering kunnen opwerpen voor zijn toegang tot de rechter en/of afbreuk kunnen doen aan zijn recht op een eerlijk proces. Het achterwege blijven van de betaling van het nageheven griffierecht laat zich naar het oordeel van de rechtbank veeleer verklaren uit de inhoudelijke bezwaren van [opposanten] tegen het door de griffier toegepaste tarief en de wens om daarover, voorafgaand aan betaling, een inhoudelijke beslissing te krijgen. Voor een dergelijk systeem heeft de wetgever echter […] niet gekozen: een verzetschrift is, behoudens de eerder genoemde uitzondering, enkel ontvankelijk nadat het (na-)geheven griffierecht is voldaan. De slotsom is dat [opposanten] onvoldoende heeft gesteld om tot de conclusie te kunnen komen dat artikel 29 lid 1 Wgbz buiten toepassing zou moeten blijven en dat hij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn verzet.”
De rechtbank verklaart Van Gelderen dan ook niet-ontvankelijk in zijn verzet tegen betaling van het griffierecht.


Geef een reactie