Een man registreert op 10 oktober 2018 een uit Duitsland afkomstige Volkswagen Tiguan 2.0 TDI Sport & Style 4Motion. De personenauto heeft een CO2-uitstoot van 162 gram per kilometer. De man doet aangifte BPM. Om de verschuldigde BPM met inachtneming van een vermindering vanwege de gebruikte staat vast te stellen, laat hij de handelsinkoopwaarde van de personenauto bepalen door middel van een taxatie waarbij het taxatierapport bij de aangifte is gevoegd. In de aangifte is een bedrag van € 53.262,- vermeld als “historische nieuwprijs bij verkoop.
Op verzoek van de inspecteur laat hij de marktwaarde van de auto door de dienst DRZ (Domeinen Roerende Zaken) opnieuw vaststellen door middel van een hertaxatie. Volgens DRZ vertoont de personenauto geen andere schade dan normale gebruiksschade. Bij het opleggen van de naheffingsaanslag BPM stelt de inspecteur de historische nieuwprijs vast op € 53.894,-. Het bedrag aan BPM op het tijdstip waarop de personenauto voor het eerst in gebruik is genomen, berekent hij naar een CO2-uitstoot van 153 gram per kilometer.
Verhoging cataloguswaarde niet betwist
In beroep voor de rechtbank Den Haag stelt de inspecteur dat hij bij de berekening van de BPM ten onrechte is uitgegaan van een CO2-uitstoot van 153 gram per kilometer. Uitgaande van de voor de personenauto vaststaande CO2-uitstoot van 162 gram per kilometer stelt hij de catalogusprijs op € 55.683,-. De naheffingsaanslag BPM wordt daarom door de rechtbank verminderd. De rechtbank is echter ook van oordeel dat voor een vergoeding van kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de bezwaarfase geen aanleiding is. De man heeft de verhoging van de cataloguswaarde aan BPM ten opzichte van het in de aangifte vermelde bedrag niet in de bezwaarfase aan de orde gesteld.
Gerechtshof Den Haag deelt het oordeel van de rechtbank en is van oordeel dat de herrekening door de inspecteur van de cataloguswaarde heeft plaatsgevonden op basis van uitgangspunten waarop de man zich niet in de bezwaarprocedure had beroepen. De vermindering van de naheffingsaanslag in beroep is volgens het hof niet het gevolg van een aan de inspecteur te wijten onrechtmatigheid als bedoeld in artikel 7:15, lid 2, Awb. Daarom bestaat volgens het hof geen recht op vergoeding van de door de man gemaakte kosten in verband met de behandeling van het bezwaar. De man gaat in cassatie.
Verzuimd om correctiefactoren toe te passen
De man stelt dat zowel de rechtbank als het gerechtshof ten onrechte geen proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase heeft toegekend. De naheffingsaanslag is na de toepassing van de koerslijst EurotaxGlass’s met de correctiefactoren ‘markt- en dealersituatie’ verminderd. Volgens de man is er sprake van een aan de inspecteur te wijten onrechtmatigheid omdat hij heeft verzuimd die correctiefactoren toe te passen bij het opleggen van de naheffingsaanslag. De man is van mening dat het niet uit maakt dat hij pas in de beroepsfase om toepassing hiervan heeft gevraagd.
De inspecteur is van mening dat terecht geen aanleiding bestaat voor toekenning van een proceskostenvergoeding in de bezwaarfase. Bovendien stelt hij dat door de man aangifte is gedaan door middel van een taxatierapport op basis van een marktonderzoek naar referentievoertuigen. Volgens het rapport onderzoek waardebepaling van DRZ genereerde de koerslijst Xray Marge de laagste handelsinkoopwaarde en deze handelsinkoopwaarde is uitgangspunt geweest bij het opleggen van de naheffingsaanslag. Het enkele feit dat de inspecteur de historische nieuwprijs voor de koerslijst AutotelexPro heeft herrekend, naar aanleiding van de ongemotiveerde beroepsgrond over de hoogte van de historische nieuwprijs maakt volgens hem niet dat daardoor nu aanspraak gemaakt kan worden op proceskosten voor de bezwaarfase.
Onrechtmatigheid aan inspecteur toe te rekenen
De Hoge Raad constateert dat de inspecteur bij het vaststellen van de naheffingsaanslag BPM voor het bepalen van de cataloguswaarde is uitgegaan van een CO2-uitstoot van 153 gram per kilometer die te laag is geweest. Dit levert een aan de inspecteur toe te rekenen onrechtmatigheid als bedoeld in artikel 7:15, lid 2, Awb op. De rechtbank heeft geoordeeld dat de cataloguswaarde moet worden bepaald op basis van de catalogusprijs van de personenauto zoals vermeld in de koerslijst Autotelex en de voor de personenauto geldende CO2-uitstoot van 162 gram per kilometer.
De Hoge Raad is van oordeel dat de man in verband met toepassing van artikel 10, lid 8, van de Wet in beroep voor het eerst heeft gesteld dat hij de handelsinkoopwaarde van de personenauto mede wilde baseren op de koerslijst EurotaxGlass’s en dat die handelsinkoopwaarde vervolgens op die grond is aangepast. Dat staat los van het oordeel van de rechtbank over de hoogte van de cataloguswaarde en de daaraan verbonden vermindering in zoverre van de naheffingsaanslag. Daarom kan de uitspraak van het hof niet in stand blijven.
Forse vergoeding proceskosten en rechtsbijstand
In tegenstelling tot het oordeel van de rechtbank en het hof is de Hoge Raad van oordeel dat de man recht heeft op een vergoeding voor de kosten die hij heeft gemaakt in verband met de behandeling van het bezwaar, bestaande uit de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Dat de naheffingsaanslag is verminderd komt door een foute berekening van de BPM door de inspecteur. Het oordeel van het hof dat geen sprake is van een aan de inspecteur te wijten onrechtmatigheid, is daarom onjuist.
De Hoge Raad vernietigt daarom de uitspraak van het hof en de rechtbank en verklaart het beroep gegrond. De Hoge Raad veroordeelt de inspecteur en de staatssecretaris van Financiën tot vergoeding van de kosten aan griffierechten en beroepsmatig verleende rechtsbijstand, in bezwaar, hoger beroep en cassatie, tot een bedrag van € 7.500,-.
Hoge Raad, ECLI:NL:HR:2026:87


Geef een reactie