Rentepercentages
In de procedure komt een belanghebbende op tegen een navorderingsaanslag premies Zorgverzekeringswet, waarbij bij beschikking van 26 september 2020 belastingrente in rekening is gebracht. Over de periode van 1 juli 2017 tot 1 juli 2020 is deze rente berekend tegen 4 procent, het destijds geldende minimumpercentage op grond van de Algemene wet inzake rijksbelastingen voor andere belastingen dan de vennootschapsbelasting.
Voor de periode van 1 juli 2020 tot 1 oktober 2020 gold tijdelijk een verlaagd rentepercentage van 0,01 procent in verband met de coronacrisis. Over de periode van 1 oktober 2020 tot en met 20 oktober 2020 is vervolgens opnieuw 4 procent toegepast, gebaseerd op het per 1 oktober 2020 gewijzigde Besluit belasting- en invorderingsrente.
De belanghebbende heeft tegen de beschikking (hoger) beroep ingesteld en daarbij onder meer aangevoerd dat het rentepercentage van 4 procent een ongerechtvaardigde inbreuk vormt op het eigendomsrecht, zoals beschermd door artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM. Daarnaast stelde hij dat dit percentage in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Het hof verwierp deze betogen.
Verder voerde de belanghebbende aan dat voor het hanteren van het 4-procentstarief over de periode van 1 tot en met 20 oktober 2020 een rechtsgrond ontbrak. De beschikking dateert immers van vóór de inwerkingtreding van de renteverhoging. Ook dit argument werd door het hof verworpen, waarna cassatie volgde.
Oordeel Hoge Raad
De Hoge Raad oordeelt dat het wettelijke minimumpercentage van 4 procent voor de relevante periode niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. In zoverre faalt de cassatieklacht.
Ten aanzien van de toepassing van het verhoogde rentepercentage per 1 oktober 2020 komt de Hoge Raad echter tot een ander oordeel. Daarbij stelt het college voorop dat belastingheffing en het in rekening brengen van belastingrente in beginsel niet zijn toegestaan wanneer de regeling waarop die heffing of berekening berust nog niet in werking is getreden op het moment van vaststellen van de beschikking. Op dat moment ontbreekt immers een toereikende juridische grondslag.
Dit uitgangspunt vloeit voort uit het legaliteitsbeginsel, zoals neergelegd in artikel 104 van de Grondwet en artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM. Dat beginsel geldt niet alleen bij de invoering van nieuwe belastingen, maar ook bij wijzigingen van bestaande regelingen, zoals een verhoging van een belastingtarief of rentepercentage.
In dit geval betekende dit dat de inspecteur bij de beschikking van 26 september 2020 nog niet bevoegd was om het per 1 oktober 2020 geldende rentepercentage van 4 procent toe te passen op een toekomstig tijdvak. Dat de beschikking mede betrekking had op een periode waarin de verhoging inmiddels van kracht zou zijn, maakt dat niet anders. Evenmin is relevant dat de renteverhoging al kenbaar was of dat de eerdere verlaging naar 0,01 procent als tijdelijk was bedoeld.
Gevolg
De Hoge Raad oordeelt dat over de periode van 1 tot en met 20 oktober 2020 het toen geldende rentepercentage van 0,01 procent moet worden toegepast. De in rekening gebrachte belastingrente wordt in zoverre verminderd.


Geef een reactie