Uit thematisch onderzoek blijkt dat ondernemingen niet altijd voldoende onderscheid maken tussen verschillende PEP’s. Niet iedere PEP vormt volgens de toezichthouder automatisch een hoog risico.
Onderzoek bij financiële ondernemingen
De AFM onderzocht drie beleggingsinstellingen, twee beleggingsondernemingen en negen financieel dienstverleners die bemiddelen in levensverzekeringen of gebruikmaken van het nationaal regime. Ondernemingen moeten onder de Wwft kunnen vaststellen of een cliënt of UBO een PEP is. Als dat het geval is, zijn aanvullende maatregelen nodig om risico’s op witwassen en terrorismefinanciering te beperken.
Nationaliteit geen zelfstandig criterium
In de risicoclassificatie ziet de AFM dat een aantal ondernemingen onderscheid maakt tussen cliënten met een Nederlandse en een niet-Nederlandse nationaliteit. Nationaliteit als zelfstandig risicocriterium kan volgens de toezichthouder leiden tot ongerechtvaardigd onderscheid en daarmee tot discriminatierisico’s.
Beleid en praktijk sluiten niet altijd aan
Ook constateert de AFM dat beleid en uitvoering niet altijd overeenkomen. Definities van PEP’s worden niet altijd eenduidig toegepast. Bij het gebruik van externe bureaus of tooling is bovendien niet altijd duidelijk vastgelegd welke rol die partijen hebben, welke definities worden gebruikt en hoe de voortdurende monitoring plaatsvindt. De AFM benadrukt dat ondernemingen zelf verantwoordelijk blijven voor naleving van de Wwft, ook als zij externe ondersteuning inschakelen.
Training en dossiervorming
De AFM vraagt daarnaast aandacht voor opleiding en vastlegging. Medewerkers die cliëntenonderzoek uitvoeren, moeten volgens de toezichthouder passende training krijgen in het herkennen, beoordelen en monitoren van PEP’s. Ook moeten gebruikte gegevens, documenten en screeningsresultaten herleidbaar worden vastgelegd. Gegevens moeten minimaal vijf jaar worden bewaard en reproduceerbaar zijn.


Geef een reactie