Een man staat sinds 2017 ingeschreven in de Basisregistratie Personen. De politie constateert in mei 2024 voor het eerst dat de man in zijn Honda CR-V met Bulgaars kenteken gebruik heeft gemaakt van de openbare weg. Daarbij wordt de man als enige inzittende aangetroffen. In juli 2024 constateert de politie opnieuw dat de man gebruik maakt van de openbare weg. De politie informeert de inspecteur over deze constateringen waarop de inspecteur een naheffingsaanslag MRB van € 1.000,- en een verzuimboete van € 500,- oplegt.
Geen eigen voertuig
Onterecht vindt de man omdat het motorrijtuig hem niet gedurende de gehele naheffingsperiode feitelijk ter beschikking heeft gestaan. Vervolgens gaat hij in beroep bij de rechtbank Gelderland. De man stelt dat het voertuig van zijn vader is, wat blijkt uit het Bulgaarse kentekenbewijs, en zijn vader is maar een beperkt deel van het jaar in Nederland. Daarnaast zat zijn vader naast hem tijdens de constatering van het weggebruik met het motorrijtuig door de politie. Hij beweert dat hij de naheffingsaanslag en de boete niet kan betalen omdat hij slechts een uitkering van de Ziektewet heeft, waardoor hij geen eigen auto kan betalen en hij heeft een kind.
De inspecteur is van mening dat hij de naheffingsaanslag MRB en de verzuimboete terecht en naar het juiste bedrag heeft vastgesteld. Het motorrijtuig stond feitelijk ter beschikking van de man, waardoor hij belastingplichtig is. Uit de constatering van de politie blijkt namelijk dat de man in mei 2024 in het motorrijtuig over de openbare weg reed zonder aanwezigheid van de (juridische) eigenaar. De man heeft niet aannemelijk gemaakt dat het motorrijtuig hem niet in de gehele periode van naheffing van twaalf maanden feitelijk ter beschikking heeft gestaan.
Houder is belastingplichtig voor MRB
De rechtbank overweegt dat degene die houder is van een personenauto, belastingplichtige is voor de MRB. Voor motorrijtuigen die in het buitenland zijn geregistreerd, geldt dat de houder degene is die het motorrijtuig in Nederland feitelijk ter beschikking heeft. Deze houder wordt onder andere geacht in Nederland zijn hoofdverblijf te hebben als hij is ingeschreven in de BRP, tenzij hij tegenbewijs levert waaruit volgt dat dit niet zo is. Als wordt geconstateerd dat in Nederland gebruik is gemaakt van de openbare weg met een motorrijtuig dat in het buitenland is geregistreerd en geen of slechts een deel van de MRB is betaald, kan het verschil worden nageheven.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur de naheffingsaanslag terecht opgelegd. Uit het proces-verbaal blijkt consequent dat de man in mei 2024 met het motorrijtuig gebruik heeft gemaakt van de openbare weg in Nederland. Hieruit blijkt ook dat alleen de man in het motorrijtuig zat. Op die dag had hij dus de feitelijke beschikkingsmacht over het motorrijtuig. Omdat niet in geschil is dat de man in Nederland zijn hoofdverblijf heeft, heeft de inspecteur de man terecht aangemerkt als de houder van het motorrijtuig en dus als belastingplichtige voor de MRB.
Feitelijk ter beschikking staan
De hoogte van de naheffingsaanslag is naar het oordeel van de rechtbank ook juist vastgesteld. De inspecteur heeft de naheffingsaanslag over de juiste periode, twaalf maanden met als laatste dag de dag voorafgaand aan de constatering in mei 2024, opgelegd. De man heeft niet aannemelijk gemaakt dat het motorrijtuig tijdens één of meer tijdvakken in de periode van mei 2023 tot en met mei 2024 niet aan hem feitelijk ter beschikking heeft gestaan. Op vragen van de rechtbank heeft de man wisselende verklaringen afgelegd over de periodes waarin zijn vader al dan niet in Nederland zou zijn geweest. Die verklaringen wijken af van zijn eerdere (consequente) verklaring(en) in deze procedure en de man heeft zijn verklaringen ook op geen enkele wijze met stukken onderbouwd.
Financiële omstandigheden geen reden voor strafvermindering
De rechtbank begrijpt dat vanwege de beperkte financiële middelen van de man strafvermindering mee zou moeten wegen. De rechtbank is van oordeel dat de man er niet in geslaagd is te bewijzen dat hij niet in staat is om de verzuimboete te betalen omdat hij op geen enkele wijze inzicht heeft gegeven in zijn financiële situatie. De enkele blote stelling dat hij een uitkering geniet is onvoldoende. De rechtbank ziet dus geen aanleiding om de financiële omstandigheden van de man als strafverminderende omstandigheid in aanmerking te nemen.
De rechtbank is verder van oordeel dat de boete passend en geboden is. De hoogte van de boete draagt namelijk naar het oordeel van de rechtbank bij aan de inscherping van de fiscale verplichtingen van de man. Hij heeft de verschuldigde MRB niet betaald, terwijl hij meerdere malen met het motorrijtuig gebruik heeft gemaakt van de openbare weg. Het boetebedrag is in overeenstemming met het verwijt dat de man kan worden gemaakt en is dus niet te hoog.
Het beroep is ongegrond.
Rechtbank Gelderland, ECLI:NL:RBGEL:2026:3031


Geef een reactie