De Hoge Raad vindt het van een onjuiste rechtsopvatting getuigen dat het hof heeft geoordeeld dat de coronapandemie een uitzonderlijke en onvoorzienbare situatie is die een verlenging van de termijn in de bezwaar-en beroepsfase met vier maanden rechtvaardigt.
Een man is eigenaar van een hoekwoning en is het niet eens met de vastgestelde WOZ-waarde. In een beroep bij de rechtbank verzoekt hij om een vergoeding van immateriële schade voor de bezwaar- en beroepsfase vanwege een overschrijding van de redelijke termijn voor berechting.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaarschrift ontvangen op 27 maart 2019 en op 7 februari 2020 heeft hij uitspraak op bezwaar gedaan; de rechtbank doet op 16 april 2021 uitspraak. Vanaf het indienen van het bezwaarschrift tot de uitspraakdatum is, aldus de rechtbank, een periode van twee jaar en bijna drie weken verstreken.
Bijzondere omstandigheid
In het kader van maatregelen tegen het coronavirus hebben in 2020 gedurende een aantal maanden bij de rechtbank geen zittingen kunnen plaatsvinden. Daarmee doet zich volgens de rechtbank een bijzondere omstandigheid voor die verlenging van de redelijke termijn rechtvaardigt. De rechtbank heeft het verzoek om schadevergoeding afgewezen omdat van een overschrijding van de redelijke termijn geen sprake is.
Het hof volgt de rechtbank en stelt dat de coronapandemie een uitzonderlijke en onvoorzienbare situatie is die een verlenging van de termijn met vier maanden rechtvaardigt. Het hof heeft daarbij rekening gehouden met de periode waarin de gerechtsgebouwen waren gesloten en een termijn van twee maanden voor het opnieuw inplannen van verdaagde zittingen.
Gelet op de verlenging van de termijn is de redelijke termijn niet overschreden, aldus het hof en heeft de rechtbank het verzoek om vergoeding van immateriële schade dan ook terecht afgewezen.
De Hoge Raad is een heel andere mening toegedaan en vindt dat de uitbraak van het coronavirus in 2020 niet in algemene zin mag worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid die een verlenging rechtvaardigt van de termijn van berechting die in de regel als redelijk is aan te merken.
Gerechtsgebouwen gesloten
Dat in verband met die uitbraak gerechtsgebouwen een aantal maanden waren gesloten en verdaagde zittingen opnieuw moesten worden gepland wordt daardoor niet anders volgens de Hoge Raad.
De uitbraak van het coronavirus vormt alleen een bijzondere omstandigheid als partijen waren uitgenodigd voor een onderzoek ter zitting in de periode waarin de gerechtsgebouwen in verband met de uitbraak van dit virus waren gesloten (de periode 17 maart 2020 tot en met 10 mei 2020).
Nu blijkt dat partijen niet zijn uitgenodigd voor een onderzoek ter zitting in de hiervoor bedoelde periode van sluiting van de gerechtsgebouwen, heeft het hof dan ook ten onrechte geoordeeld dat de rechtbank de redelijke termijn van beslechting van het geschil in eerste aanleg terecht heeft verlengd.
Geen verlenging termijn
De Hoge Raad oordeelt dat voor een verlenging van de voor de behandeling van het geschil in eerste aanleg redelijk te achten termijn van twee jaar geen aanleiding bestaat. De heffingsambtenaar heeft het bezwaarschrift van de man op 27 maart 2019 ontvangen en hij heeft op 7 februari 2020 uitspraak op bezwaar gedaan. Het beroep van de man is op 20 maart 2020 ingesteld, de uitspraak van de rechtbank was op 16 april 2021.
Daarmee is volgens de Hoge Raad de redelijke termijn voor berechting in eerste aanleg overschreden, en wel met minder dan zes maanden. Deze overschrijding is volledig toe te rekenen aan de bezwaarfase.
De heffingsambtenaar moet daarom aan de man een vergoeding van immateriële schade betalen ten bedrage van € 500 wegens overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaarfase.


Geef een reactie