Dat heeft de Hoge Raad beslist in een procedure van de staatssecretaris van Financiën tegen een belastingplichtige die jarenlang in Duitsland werkte.
De zaak draait om een man die tussen 1980 en april 1997 in Duitsland woonde en werkte. In die periode was hij verplicht verzekerd voor de Deutsche Rentenversicherung. Nadat hij naar Nederland was verhuisd, ontving hij in 2018 ouderdomsuitkeringen uit die regeling. De Belastingdienst rekende het volledige bedrag van die uitkeringen tot het belastbare inkomen uit werk en woning.
Hof beperkte heffing tot 45 procent
De belastingplichtige stelde dat slechts 45 procent van de uitkeringen in Nederland belast mocht worden. Volgens hem was namelijk ook slechts 45 procent van de betaalde premies destijds aftrekbaar voor de Duitse loon- en inkomstenbelasting.
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden volgde die redenering. Volgens het hof moesten de pensioenaanspraken worden gesplitst in een deel dat voortvloeit uit aftrekbare premies en een deel dat berust op niet-aftrekbare premies. Alleen het eerste deel kon op grond van artikel 3.82 Wet IB 2001 in box 1 worden belast. Omdat de inspecteur het door de belastingplichtige genoemde percentage van 45 procent onvoldoende had bestreden, nam het hof dat percentage als uitgangspunt.
Artikel 3.82 Wet IB 2001 is bepalend
In cassatie voerde de staatssecretaris onder meer aan dat de uitkeringen volledig belast zijn als loon uit vroegere dienstbetrekking. Daarbij verwees hij naar een arrest uit 1994 waarin de Hoge Raad had geoordeeld dat uitkeringen uit de Deutsche Rentenversicherung volledig in Nederland belast waren.
De Hoge Raad verwerpt dat standpunt. Volgens het college ziet het arrest uit 1994 op een belastingjaar waarin artikel 3.82 Wet IB 2001 nog niet van kracht was. Voor buitenlandse pensioenregelingen geldt inmiddels een specifieke regeling. Op grond van artikel 3.82 Wet IB 2001 worden uitkeringen uit een buitenlandse pensioenregeling slechts belast voor zover de aanspraken niet eerder aan een met de Nederlandse loon- of inkomstenbelasting vergelijkbare heffing zijn onderworpen.
De Hoge Raad benadrukt dat deze bepaling een bijzondere regeling vormt ten opzichte van het algemene loonbegrip van artikel 3.81 Wet IB 2001. Daardoor komt men in dit soort gevallen niet toe aan toepassing van dat algemene loonbegrip.
Geen volledige belastingheffing
Omdat vaststond dat de Duitse regeling kwalificeert als een pensioenregeling in de zin van artikel 1.7 Wet IB 2001 en omdat slechts 45 procent van de betaalde premies destijds aftrekbaar was voor de Duitse belastingheffing, zijn de uitkeringen volgens de Hoge Raad ook slechts voor dat deel belast in Nederland.
Het cassatieberoep van de staatssecretaris wordt daarom ongegrond verklaard. Daarmee blijft de uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in stand en staat definitief vast dat 55 procent van de ontvangen uitkeringen buiten de Nederlandse heffing blijft.


Geef een reactie