De zaak draait om doorlopende zakelijke kredieten met een zogenoemd variabel rentepercentage, die ABN AMRO verstrekte onder namen als “OndernemersKrediet” en “OndernemersFlexibelKrediet”. Volgens SMC heeft de bank daarbij jarenlang nagelaten de rente mee te laten dalen met de marktrente, wat zou hebben geleid tot structureel te hoge kosten voor kleinzakelijke klanten.
Op 26 februari 2024 stelde SMC ABN AMRO formeel aansprakelijk. De stichting eiste dat de bank in gesprek zou gaan over een regeling en riep op tot terugbetaling van de volgens haar te veel betaalde rente. Toen overleg uitbleef, besloot SMC naar de rechter te stappen.
Twee juridische grondslagen
De claim van SMC is gebaseerd op twee juridische gronden. Ten eerste stelt zij dat ABN AMRO toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen, omdat de contracten een leemte bevatten: er zou geen heldere koppeling zijn tussen de variabele rente en de marktrente. Volgens SMC had de bank die leemte moeten invullen op basis van redelijkheid en billijkheid. Omdat dit niet gebeurde, zouden ondernemers schade hebben geleden.
De tweede grondslag is dat ABN AMRO — als zij al contractueel het recht had om de rente niet aan te passen — dit recht op oneerlijke wijze heeft gebruikt. In dat geval is er volgens SMC sprake van onverschuldigde betaling: het bedrag dat te veel aan rente is betaald, zou moeten worden teruggestort.
Ongelijksoortige belangen
De rechtbank ziet op dit moment onvoldoende grond om de zaak als collectieve actie toe te laten. Daarvoor is vereist dat de belangen van de verschillende eisers voldoende “gelijksoortig” zijn. Dit betekent dat de rechter de kern van het geschil kan beoordelen zonder dat er per geval naar specifieke omstandigheden hoeft te worden gekeken.
In dit geval is die abstractie volgens de rechter niet mogelijk. De vraag of ABN AMRO wel of niet had moeten ingrijpen in de rente, vereist per kredietovereenkomst een uitleg op basis van de zogeheten Haviltex-maatstaf. Daarbij spelen onder andere de communicatie tussen bank en klant, de precieze tekst van de overeenkomst, de context van de overeenkomst en de kennis van de betrokken partijen een rol.
De rechtbank benadrukt dat deze factoren per ondernemer kunnen verschillen — bijvoorbeeld tussen eenmanszaken en bedrijven met tientallen werknemers — en dat de contracten ook in verschillende vormen zijn aangeboden. Daardoor is het niet mogelijk om in één oordeel recht te doen aan alle gevallen.
Mogelijk vervolg
Omdat de belangen van de gedupeerden onvoldoende gelijksoortig zijn, wijst de rechtbank de collectieve actie in haar huidige vorm af. De rechtbank doet geen uitspraak over de inhoudelijke juistheid van de vorderingen: het gaat hier uitsluitend om de ontvankelijkheid van SMC. Dat betekent niet dat individuele ondernemers geen gelijk kunnen hebben. Voor hen staat de weg open om zelfstandig of in kleinere groepen een procedure te starten tegen ABN AMRO. Ook kan SMC proberen haar claim beter af te bakenen en eventueel opnieuw een collectieve procedure aanhangig maken.
Discussie
Op 1 januari 2020 is de Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie (WAMCA) in werking getreden, die heeft geleid tot het huidige artikel 3:305a BW. De WAMCA is van toepassing op collectieve acties die zijn ingesteld na 1 januari 2020, ten aanzien van gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden op of na 15 november 2016. Tot 1 januari 2020 was het wettelijke regime voor massaschade neergelegd in artikel 3:305a BW (oud), dat gebaseerd was op de Wet collectieve afwikkeling massaschade (WCAM).
Een deel van de discussie ging over welk juridisch regime op deze zaak van toepassing is: de oude Wet collectieve afwikkeling massaschade (WCAM) of de nieuwe Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie (WAMCA), die sinds 2020 geldt. Volgens SMC is de WAMCA van toepassing op kredietovereenkomsten die vanaf 2004 zijn aangegaan en na 15 november 2016 voortduurden. Zij stelt dat het telkens opnieuw rekenen van te veel rente de schadeveroorzakende gebeurtenis is. Op kredietovereenkomsten die zijn aangegaan vanaf 2004 en zijn beëindigd voor 15 november 2016 is primair ook de WAMCA van toepassing omdat de strekking van de WAMCA is om de schade gezamenlijk en efficiënt af te handelen. Het is niet de bedoeling van de WAMCA om schadeveroorzakende gebeurtenissen die op hetzelfde feit zijn terug te voeren onder verschillende collectieve actie regimes te laten vallen. Subsidiair vallen laatstgenoemde kredietovereenkomsten onder het oude recht, aldus SCM.
ABN AMRO voerde aan dat het schadeveroorzakende feit het aangaan van de kredietovereenkomsten is. Dit heeft tot gevolg dat op alle kredietovereenkomsten die zijn aangegaan voor 15 november 2016 de WCAM van toepassing is. De WAMCA is slechts van toepassing op kredietovereenkomsten die op of na die datum zijn aangegaan, aldus ABN AMRO.
De rechtbank liet in het midden welke wet geldt, omdat het oordeel over de ontvankelijkheid in beide gevallen neerkomt op eenzelfde vereiste: de belangen moeten voldoende gelijksoortig zijn. En aan dat vereiste is niet voldaan. Of de stichting in beroep gaat tegen de uitspraak of haar aanpak zal herzien, is op dit moment nog niet bekend.
Lees hier de uitspraak.


Geef een reactie