Bovendien doet de ondernemer met succes een beroep op de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid als bedoeld in artikel 6:248 lid 2 BW. Om die reden wordt slechts een deel van de vordering van het administratiekantoor toegewezen.
Overeenkomst
Een fietsenmaker was op zoek naar een nieuwe boekhouder. Na een inventarisatiegesprek op 20 februari 2023 bevestigde administratiekantoor Finteliq de gemaakte afspraken per e-mail op 21 februari 2023, met onder meer advies over zakelijk betalingsverkeer en de frequentie van pinuitbetalingen.
Op 8 maart 2023 sloten partijen een overeenkomst met terugwerkende kracht per 1 januari 2023, voor een minimale duur van twaalf maanden. Finteliq zou maandelijks de administratie verwerken, gebaseerd op een gemiddelde van 35 mutaties per maand, waarbij overschrijdingen als meerwerk tegen een overeengekomen tarief mochten worden doorbelast. De maandelijkse vergoeding werd vastgesteld op € 112,50 exclusief btw. De algemene voorwaarden voorzagen in de mogelijkheid voor Finteliq om het aantal mutaties eenzijdig te herzien bij structurele afwijkingen over minimaal drie periodes.
Mutaties boven afgesproken grens
Op 28 april 2023 meldde Finteliq per e-mail dat het aantal mutaties al aanzienlijk boven de afgesproken grens lag en stelde zij voor de eerste drie maanden buiten beschouwing te laten indien de fietsenmaker de werkwijze zou aanpassen en een nieuw kasboek zou gebruiken. Op 19 oktober 2023 wijzigde Finteliq de overeenkomst met ingang van 1 augustus 2023 en verhoogde het aantal toegestane mutaties van 35 naar 380 per maand. Vervolgens factureerde Finteliq op 20 oktober 2023 voor de overschrijdingen van januari tot en met juli 2023, evenals een verhoging van de maandtermijnen vanaf augustus 2023, voor een totaalbedrag van € 5.514,58. Daarna volgden facturen van € 662,48 op 1 november en 1 december 2023. De overeenkomst liep tot 31 december 2023.
Kantonrechter
Finteliq stapt uiteindelijk naar de kantonrechter om betaling van de facturen af te dwingen. Het geschil tussen de partijen draait om de vraag of Finteliq op basis van de tussen partijen gesloten overeenkomst gerechtigd was om een hoger maandtarief en meerwerkkosten in rekening te brengen, samen oplopend tot € 6.839,54, vermeerderd met rente, incassokosten en proceskosten. Finteliq stelt dat de overeenkomst zo moet worden uitgelegd dat zij bij overschrijding van het afgesproken aantal mutaties zowel de maandtarieven mocht verhogen als extra mutaties tegen meerwerkkosten kon doorberekenen. De fietsenmaker betwist dit en voert aan dat de overeenkomst een vast maandbedrag noemt, zodat hij ervan mocht uitgaan dat enkel dat bedrag in rekening zou worden gebracht.
Haviltex
De kantonrechter volgt Finteliq in haar standpunt en baseert dit oordeel op de Haviltex-maatstaf: doorslaggevend is wat partijen over en weer hebben verklaard en redelijkerwijs mochten begrijpen. Uit de overeenkomst en de voorafgaande communicatie blijkt dat het aantal van 35 mutaties per maand slechts een gemiddelde betrof en dat overschrijdingen als meerwerk in rekening mochten worden gebracht. De fietsenmaker was hiervan op de hoogte, onder meer door de e-mails van Finteliq en zijn eigen erkenning dat zijn werkwijze tot hogere mutatieaantallen leidde en hij die zou proberen te verminderen.
Algemene voorwaarden
Bovendien voorzagen de toepasselijke algemene voorwaarden (in artikel 5.3) in een eenzijdige aanpassing van het gemiddelde mutatieaantal bij structurele afwijkingen over minimaal drie periodes. Vaststaat dat het aantal mutaties structureel aanzienlijk hoger lag dan 35, gemiddeld rond de 300 per maand, en dat de fietsenmaker een betwisting hiervan pas te laat inbracht. Daarom mocht Finteliq het meerwerk doorberekenen en de overeenkomst per augustus 2023 herzien. Het verweer van de fietsenmaker dat hij alleen het oorspronkelijke maandbedrag verschuldigd was, wordt verworpen.
Bepaling niet onredelijk bezwarend
De kantonrechter bespreekt de aanvullende verweren van de fietsenmaker tegen de vorderingen van Finteliq en verwerpt deze één voor één.
Het beroep op de vernietiging van artikel 5.3 van de algemene voorwaarden slaagt niet. De fietsenmaker stelde dat deze bepaling onredelijk bezwarend is op grond van artikel 6:233 BW, mede omdat de bepaling voorkomt op de grijze lijst van artikel 6:237 BW en daaraan reflexwerking toekomt. De rechter oordeelt echter dat geen sprake is van een situatie die vergelijkbaar is met die van een consument: de fietsenmaker is een ervaren ondernemer, gebruikt algemene voorwaarden en is actief in commerciële activiteiten zoals verhuur en financiering. Daarmee ontbreekt de noodzakelijke gelijkenis voor reflexwerking.
Ook inhoudelijk acht de rechter artikel 5.3 niet onredelijk bezwarend. De bepaling maakt zowel verhoging als verlaging van het aantal mutaties mogelijk en is niet eenzijdig in het voordeel van Finteliq. De constructie wordt vergeleken met een energiecontract: op basis van een geschat gemiddeld verbruik wordt een voorschot vastgesteld, waarna op basis van het werkelijke verbruik een correctie volgt. Het beding voorkomt juist onverwachte hoge kosten achteraf en is dus niet onevenwichtig. Het beroep op strijd met redelijkheid en billijkheid faalt eveneens, omdat de fietsenmaker geen concrete feiten heeft aangevoerd waaruit blijkt dat de toepassing van het beding onaanvaardbaar zou zijn. Bovendien volgt uit de overeenkomst dat de werkwijze van de fietsenmaker zelf bepalend was voor het aantal mutaties. Zelfs als het beding vernietigd zou worden, zou dat volgens de rechter niet afdoen aan het recht van Finteliq om het meerwerk te factureren, omdat dat reeds uit de overeenkomst zelf voortvloeit.
Het beroep op artikel 7:755 BW, dat een vooraankondiging van meerwerk vereist, wordt verworpen omdat deze bepaling uitsluitend geldt voor aanneming van werk en niet analoog kan worden toegepast op een overeenkomst van opdracht zoals hier aan de orde.
Ten slotte faalt ook het beroep op dwaling, omdat de fietsenmaker geen voldoende concrete feiten heeft gesteld die aan de voorwaarden van artikel 6:228 BW voldoen en bovendien geen duidelijke juridische consequenties aan zijn beroep heeft verbonden.
Schending zorgplicht
Toch oordeel de kantonrechter dat, ondanks het eerdere oordeel dat Finteliq in beginsel gerechtigd was om meerwerkkosten in rekening te brengen, de vordering niet volledig kan worden toegewezen omdat Finteliq haar zorgplicht heeft geschonden. Als financieel dienstverlener rustte op Finteliq op grond van artikel 7:401 en 7:403 BW een informatieplicht om de fietsenmaker tijdig en volledig te informeren over de financiële consequenties van de overschrijding van het afgesproken aantal mutaties. Hoewel Finteliq de fietsenmaker op 28 april 2023 wel heeft gewezen op het hoge aantal mutaties, heeft zij hem niet gewaarschuwd voor de bijkomende financiële gevolgen indien hij zijn werkwijze niet zou aanpassen.
Bovendien was het Finteliq al in april 2023 duidelijk dat het aantal mutaties structureel boven het afgesproken gemiddelde lag, maar zij heeft de overeenkomst pas in augustus 2023 aangepast en pas in oktober 2023 meerwerk gefactureerd. Daardoor werd het voor de fietsenmaker pas laat duidelijk wat de kosten zouden zijn, op een moment dat hij zijn werkwijze niet meer kon aanpassen. Daarmee heeft Finteliq onvoldoende voldaan aan haar eigen zorgplicht en aan artikel 5.3 van haar algemene voorwaarden, dat een tijdige herziening bij structurele afwijkingen voorschrijft.
Daarnaast acht de kantonrechter het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat de volledige kosten voor rekening van de fietsenmaker komen. Finteliq was immers als financiële professional op de hoogte van de beperkte schaal van de onderneming en het feit dat de fietsenmaker sommige adviezen niet zou opvolgen, zonder hem tijdig op de financiële consequenties te wijzen. Dat Finteliq bovendien heeft nagelaten duidelijk te maken wat de marktconforme prijs zou zijn en pas laat heeft gehandeld, weegt hierbij zwaar.
De rechter bepaalt daarom dat een redelijke vergoeding neerkomt op € 400,- per maand vanaf april 2023 tot en met december 2023, in totaal € 3.550,-. Voor de periode januari tot en met maart 2023 kan geen extra bedrag worden gevorderd omdat Finteliq toen helemaal niet heeft gewaarschuwd voor de overschrijding van het aantal mutaties. De vordering van € 6.839,54 wordt dus slechts gedeeltelijk toegewezen tot dit lagere bedrag.


Geef een reactie