De activiteiten van een bv bestaan uit de verkoop van diverse modellen (vooral gebruikte) trapliften. De trapliften worden geleverd aan particulieren en aan gemeenten in het kader van de WMO. De bv heeft vanaf haar oprichting tot en met 31 maart 2021 elke maand de verschuldigde omzetbelasting berekend en voldaan naar het algemene btw-tarief. Over het tijdvak september 2020 maakt de bv bezwaar tegen de voldoening op aangifte omdat zij van mening is dat het verlaagde btw-tarief van toepassing is op de levering van trapliften.
De Belastinginspecteur verklaart het bezwaar op 15 mei 2021 gegrond en de bv hanteert vanaf die datum het verlaagde btw-tarief. In de loop van 2021 besluit de bv om verder te investeren in de ontwikkeling van een traplift in eigen beheer omdat de bv moeite heeft om voldoende gebruikte trapliften in te kopen om aan de vraag te voldoen. Er worden ook daadwerkelijk opdrachtbevestigingen getekend met een paar bedrijven voor de ontwikkeling van een eigen traplift. Het investeringsplan leidt echter niet tot de ontwikkeling van een nieuwe traplift.
Besluit Omzetbelasting
Op 19 februari 2021 publiceert de staatssecretaris van Financiën een nieuw Besluit Omzetbelasting Toelichting Tabel I waarin staat dat trapliften niet met traploophulpen vergelijkbaar zijn. Onder verwijzing naar dat besluit trekt de inspecteur in september 2021 het standpunt dat het verlaagde btw-tarief van toepassing is op de levering van trapliften in. De inspecteur geeft wel een overgangstermijn tot en met 31 oktober 2021. Voor het tijdvak mei 2022 legt de inspecteur de BV een navorderingsaanslag op van € 52.598,- en een verzuimboete van € 1.577,-.
Nadat het bezwaar van de bv tegen de navorderingsaanslag omzetbelasting ongegrond is verklaard dor de inspecteur gaat de bv in beroep voor de rechtbank Gelderland en later in hoger beroep bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Daarbij gaat het erom of de levering van trapliften, op grond van het neutraliteitsbeginsel, binnen de reikwijdte van post a.34 van de bij de Wet op de omzetbelasting behorende Tabel I en de toelichting op de tabelpost valt. Ook moet het hof beoordelen of de inspecteur bij het intrekken van zijn standpunt dat het verlaagde btw-tarief van toepassing was op de levering van trapliften en de bv een langere overgangstermijn had moeten gunnen.
Neutraliteitsbeginsel
De bv stelt zich op het standpunt dat het uitsluiten van trapliften van het verlaagde btw-tarief in strijd is met het neutraliteitsbeginsel. Volgens de bv volgt uit de bijlagen van de tabelpost dat trapliften wel onder post a 34 moeten worden geschaard, omdat de selectieve implementatie van de richtlijnpost in de Nederlandse wet- en regelgeving niet voldoende objectief, duidelijk en nauwkeurig is uitgevoerd. Volgens de bv zijn trapliften uitwisselbaar met invalidenwagentjes, specifiek die in de vorm van traplopende rolstoelen, en/of ook uitwisselbaar met mechanische traploophulpen.
Het hof is van oordeel dat het binnen de beoordelingsmarge van de wetgever valt om de implementatie van het verlaagde btw-tarief op goederen die essentieel zijn om handicaps te compenseren te beperken tot invalidenwagentjes en invalidenkrukken, sta-opstoelen en hooglaagbedden. Deze selectie berust naar het oordeel van het hof op objectieve criteria, en is duidelijk en nauwkeurig. De goederen zijn immers allen bedoeld om handicaps te compenseren, en zijn duidelijk omschreven.
Wat het fiscale neutraliteitsbeginsel betreft overweegt het hof dat soortgelijke goederen voor de heffing van omzetbelasting niet verschillend mogen worden behandeld. Goederen zijn soortgelijk wanneer zij overeenkomstige eigenschappen vertonen en aan dezelfde behoeften van de consument voldoen, waarbij het vergelijkbare gebruik de maatstaf is. Het gaat erom te beoordelen of de desbetreffende onderscheiden categorieën goederen uit het oogpunt van de gemiddelde consument onderling uitwisselbaar zijn. Als zij overigens uitwisselbaar zijn, kan de toepassing van de verschillende btw-tarieven immers van invloed zijn op de keuze van de consument, wat een schending van het beginsel van fiscale neutraliteit zou opleveren.
Soortgelijke producten
Het hof is van oordeel dat de invalidenwagentjes van de tabelpost en de trapliften niet uitwisselbaar zijn en dus niet soortgelijk. Het zijn verschillende producten, die er verschillend uitzien, en die voor verschillend gebruik geschikt zijn. Dat er, zoals de bv heeft aangevoerd, ook rolstoelen bestaan waarmee men ook de trap op en af kan, maakt niet dat van een traplift vergelijkbaar gebruik wordt gemaakt als van een invalidenwagentje.
Het gebruik van een traplift is immers beperkt tot het (verticaal) vervoer over de trap, terwijl een invalidenwagentje juist (ook) bedoeld is voor (horizontaal) vervoer binnen- en buitenshuis. Daarnaast is een traplift verbonden met en gebonden aan een bepaalde trap en een traplopend invalidenwagentje niet. Daarom zijn deze goederen niet uitwisselbaar zijn vanuit het oogpunt van de gemiddelde consument. De fiscale neutraliteit wordt dus niet geschonden door een invalidenwagentje wel onder het verlaagde btw-tarief te scharen en een traplift niet.
Het hof overweegt dat de staatssecretaris in de toelichting op de Tabelpost enerzijds wetsinterpreterende beleidsregels heeft opgenomen, en anderzijds goedkeurende beleidsregels heeft opgenomen. Naar het oordeel van het hof betreft de beleidsregel dat een mechanische traploophulp in aanmerking komt voor het verlaagde tarief, een goedkeurende beleidsregel.
Verschil tussen traploophulp en traplift
Een mechanische traploophulp is immers niet soortgelijk aan invalidenwagentjes, invalidenkrukken, sta-opstoelen en hooglaagbedden. Het gebruik van een mechanische traploophulp is namelijk, in tegenstelling tot het gebruik van invalidenwagentjes en invalidenkrukken, uitsluitend te gebruiken voor het zich verplaatsen over de trap. Met sta-opstoelen en hooglaagbedden kan men zich überhaupt niet over een trap verplaatsen.
Een traplift is naar het oordeel van het hof ook niet (soort)gelijk aan een mechanische traploophulp. Een traploophulp ondersteunt namelijk de eigen loopfunctie terwijl men op een traplift zittend plaatsneemt, waarbij de traplift de loopfunctie overneemt. Een traploophulp is een mechanisch instrument, terwijl een traplift elektrisch wordt aangedreven. Daar komt bij dat goedkeurend beleid in afwijking van wetgeving in beginsel beperkt moet worden uitgelegd. Het hof is ook van oordeel dat het niet de bedoeling van de staatssecretaris is invalidenliftjes of trapliften onder het verlaagde btw-tarief te brengen. Een traplift kan dus ook niet op basis van de toelichting op de Tabelpost onder het verlaagde btw-tarief worden geschaard.
Rest de vraag nog te beantwoorden of de bij het opzeggen verleende overgangstermijn tot 31 oktober 2021 te kort is geweest. Der BV stelt dat haar een langere overgangstermijn moet worden gegund, te weten tot en met december 2024. Als argument voor deze langere periode wijst de bv op de investeringen in de ontwikkeling van een traplift. Het hof volgt de bv hierin niet.
Overgangstermijn is niet te kort geweest
De overeenkomsten van deze investeringen zijn immers niet gesloten door de bv, maar door andere concernvennootschappen, terwijl de uitspraak op bezwaar niet gericht was aan deze andere concernvennootschappen, maar aan de bv. De bv voerde nog aan dat de investering in de nieuwe traplift is ondergebracht in een vennootschap en dat deze vennootschap met de BV van rechtswege een fiscale eenheid voor de omzetbelasting vormt.
Het hof ziet hierin echter geen reden om de door de inspecteur gegunde overgangstermijn te verlengen. De investeringsovereenkomsten betreffen de inkoop van diensten in het kader van een investering in de ontwikkeling van nieuwe trapliften. Dit zijn geen (verkoop)overeenkomsten met kopers van trapliften, tegenover wie de BV verplicht is de berekening van omzetbelasting op de levering van die trapliften te beperken tot het verlaagde btw-tarief. Op basis van deze (inkoop)overeenkomsten ontstaat er voor de BV geen verplichting tot afdracht van btw.
Het slotoordeel van het hof is dan ook dat de BV voor het betreffende tijdvak omzetbelasting is verschuldigd naar het algemene tarief over de levering van trapliften.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, ECLI:NL:GHARL:2025:7998


Geef een reactie