Een man is sinds 19 juli 1999 directeur en enig aandeelhouder van een BV. Voor de jaren 2009 tot en met 2014 neemt de BV in de aangiften Vpb een pensioenvoorziening voor de dga op die in 2014 € 343.714,- bedraagt. De vordering die de BV op de dga heeft bedraagt in dat jaar € 330.231,-. Over de jaren 2015 tot en met 2017 zijn door de BV geen aangiften Vpb ingediend. In de periode april 2017 tot en met december 2019 is geen gebruik gemaakt van de tijdelijke mogelijkheid om pensioen in eigen beheer af te kopen of om te zetten in een oudedagsverplichting. In de aangiften Vpb voor de jaren 2018 en 2019 van de BV wordt geen melding (meer) gemaakt van een pensioenvoorziening, pensioenlasten en de vordering op de dga.
Verboden handeling met pensioenaanspraken
In oktober 2023 deelt de inspecteur de dga mee dat hij van plan is om de pensioenaanspraken tegen de waarde in het economische verkeer, verhoogd met 20% revisierente te willen belasten. Ook legt de inspecteur een navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2018 op met een beschikking revisierente en belastingrente. De inspecteur doet dit omdat hij geen reactie van de dga heeft ontvangen over de vraag van de inspecteur over het verloop van de vordering op de dga in de jaren 2014 tot en met 2018 en wat er met de pensioenvoorziening is gebeurd.
De inspecteur komt tot de conclusie dat er een verboden handeling met de pensioenaanspraken in 2018 moet hebben plaats gevonden. Hierbij gaat hij er van uit dat in 2018 de vordering op de dga is verrekend met de fiscale pensioenvoorziening. De commerciële waarde van deze pensioenaanspraken per 31 december 2018 bedraagt volgens de inspecteur € 925.655,-.
De dga maakt bezwaar tegen de navorderingsaanslag 2018 en ontvangt per e-mail een uitnodiging om te worden gehoord. In hoger beroep voor de rechtbank Den Haag stelt de dga dat het hoorrecht is geschonden en dat daarom de zaak moet worden teruggewezen naar de bezwaarfase. De inspecteur stelt dat het hoorrecht niet is geschonden en dat de rechtbank inhoudelijk kan oordelen over de zaak.
Uitspraak op bezwaar in spam terechtgekomen
De rechtbank volgt de dga niet in zijn stelling dat het hoorrecht is geschonden. De dga stelt dat de mail van de inspecteur met daarbij gevoegd de vooraankondiging op de uitspraak op bezwaar, in zijn “spam” terecht is gekomen, waardoor hij dit e-mailbericht niet heeft kunnen behandelen. Met als gevolg dat hij pas na 4 juli 2024 bekend is geworden met de inhoud en bijlage van de e-mail van 21 juni 2024. Naar het oordeel van de rechtbank komt de omstandigheid dat de e-mail van 21 juni 2024 in zijn “spam” is terechtgekomen voor rekening en risico van de dga.
Wat betreft de pensioenaanspraken overweegt de rechtbank dat In de jaren 2009 tot en met 2014 op de balans van de BV een pensioenvoorziening stond ten behoeve van de dga die per 31 december 2014 € 343.714,- bedroeg. In die jaren heeft de BV ook pensioenlasten in mindering op haar resultaat gebracht en stond er een vordering op de dgar op de balans van de BV die per ultimo 2014 € 330.231,- bedroeg.
Pensioenvoorziening dga is verrekend met vordering van BV
In de aangifte Vpb voor het jaar 2018 staan de pensioenvoorziening en de vordering op de dga niet meer op de balans van de BV en heeft de BV ook geen pensioenlasten in mindering op haar resultaat gebracht. Hierop gelet is de rechtbank van oordeel dat de inspecteur zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de pensioenvoorziening van de BV ten behoeve van de dga is verrekend met de vordering op de dga van de BV. En dat daarmee sprake is van het afkopen of vervreemden van de pensioenaanspraak als bedoeld in artikel 19b, eerste lid, onder b, van de Wet op de loonbelasting 1964.
De conclusie van de inspecteur dat de pensioenaanspraak van de dga aangemerkt moet worden als loon uit een vroegere dienstbetrekking is naar het oordeel van de rechtbank dan ook terecht geweest. De stelling van de dga dat de pensioenvoorziening van de BV niet is verrekend met de vordering op hem is naar het oordeel van de rechtbank niet onderbouwd.
In verband met de verrekening van de pensioenvoorziening met de vordering op de dga heeft de inspecteur in 2018 bij de dga loon uit een vroegere dienstbetrekking ter grootte van € 925.655,- in aanmerking genomen. Kijkend naar de ontwikkeling in de jaren 2009 tot en met 2018 van de pensioenvoorziening, de vordering op de dga, en de pensioenlasten in de aangiften Vpb van de BV zijn de navorderingsaanslag en de beschikkingen terecht en tot de juiste bedragen opgelegd.
Het hoger beroep dient ongegrond te worden verklaard.
Rechtbank Den Haag, ECLI:NL:RBDHA:2026:5103


Geef een reactie