In een brief van 17 februari 2022 deelde het bestuur van de NBA een accountant mee dat er was besloten om bij de Accountantskamer een tuchtklacht tegen hem in te dienen vanwege handelen of nalaten in strijd met de voor accountants geldende regelgeving. De accountant diende een bezwaarschrift in, maar het NBA-bestuur verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk. De accountant liet het daar niet bij zitten en ging in beroep bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb). Daar diende onlangs de zaak, bijna anderhalf jaar na de aankondiging van de NBA.
Reputatie- en imagoschade
Het NBA-bestuur stelt zich op het standpunt dat het bezwaar van de accountant terecht niet-ontvankelijk is verklaard, omdat de brief van 17 februari 2022 geen besluit is als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Bij het CBb stelt de accountant dat het NBA-bestuur het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Volgens hem is de brief van 17 februari 2022 wel degelijk een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan die is gericht op publiekrechtelijk rechtsgevolg en daarmee een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het indienen van een tuchtklacht beoogt het aanvangen van een tuchtrechtelijke procedure. De accountant meent dat hij niet alleen door het uitspreken van een tuchtrechtelijke veroordeling en het treffen van tuchtrechtelijke maatregelen in zijn belangen kan worden geschaad, maar ook al door de tuchtrechtelijke procedure op zichzelf reputatie- en imagoschade lijdt. Dit geldt temeer, omdat de NBA de belangenorganisatie van zijn beroepsgroep is. Verder stelt de accountant zich op het standpunt dat is gehandeld in strijd met het fundamentele beginsel van hoor- en wederhoor, omdat hij noch tijdens het toetsingsproces, noch voorafgaand aan het advies van de Raad voor Toezicht, is gehoord.
Oordeel CBb
Artikel 1:3, eerste lid, van de Awb bepaalt dat onder een besluit in de zin van die wet wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
Het College overweegt allereerst dat onder ‘rechtshandeling’ wordt verstaan: een handeling gericht op rechtsgevolg. Een beslissing van een bestuursorgaan is gericht op rechtsgevolg en is daarmee een rechtshandeling, indien zij erop is gericht een bevoegdheid, recht of verplichting voor een of meer anderen te doen ontstaan of teniet te doen, dan wel de juridische status van een persoon of een zaak vast te stellen.
Het College is van oordeel dat de mededeling van het bestuur, dat het heeft besloten een tuchtklacht tegen de accountant in te dienen bij de Accountantskamer, op zichzelf geen rechten, plichten of bevoegdheden in het leven roept, en ook geen wijziging behelst van een rechtsverhouding of van de juridische status van de accountant. De brief van 17 februari 2022 is dus niet gericht op rechtsgevolg en daarom geen besluit in de zin van de Awb. Dat de accountant zich door deze mededeling in zijn positie of reputatie aangetast voelt, maakt dit niet anders, nu, zoals gezegd, zijn rechtspositie door deze brief op geen enkele manier wijzigt. Evenmin is bij deze mededeling sprake van een zelfstandig en definitief bedoeld bestuurlijk rechtsoordeel dat met een besluit gelijk kan worden gesteld. Daarbij geldt dat het niet aan het bestuur, maar aan de Accountantskamer is om een tuchtklacht te beoordelen en (eventueel) een maatregel op te leggen.
Nu de mededeling in de brief van 17 februari 2022 niet is aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb en daarmee evenmin gelijk kan worden gesteld stond daartegen geen bezwaar open. Het NBA-bestuur heeft het bezwaar van de accountant daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard. Hieruit volgt dat het College niet toekomt aan een inhoudelijk oordeel over de brief en aan de stelling van de accountant dat hij ten onrechte tijdens het toetsingsproces en voorafgaand aan het advies van de Raad voor Toezicht, niet is gehoord.
Overigens wijst het College erop dat – zoals ook de Afdeling bestuursrechtspraak heeft geoordeeld in haar uitspraken van 17 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2264) en van 8 december 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:2753) – de beslissing van een bestuursorgaan om bezwaar te maken of administratief beroep in te stellen een beslissing is die volgens de wetsgeschiedenis strekt tot het indienen van een aanvraag (Kamerstukken II 1988/89, 21 221, nr. 3, blz. 139), die buiten het besluitbegrip van de Awb valt. Omdat het indienen van een tuchtklacht bij een tuchtrechter door een bestuursorgaan naar zijn aard overeenkomt met de beslissing om bezwaar te maken of administratief beroep in te stellen, valt ook het indienen van een tuchtklacht door de NBA bij de accountantskamer niet onder het besluitbegrip van de Awb.
Het beroep is ongegrond.

Oordeel CBb
Geef een reactie