Warmtebedrijven spelen een cruciale rol in de Nederlandse energietransitie, met name door de levering van collectieve warmte via warmtenetten. Deze netten worden steeds belangrijker om de gebouwde omgeving in 2050 uitstootvrij te maken. Een groot deel van de warmte wordt nog geproduceerd met aardgas, waardoor warmtebedrijven te maken hebben met energiebelasting. Hoewel warmte zelf niet wordt belast, geldt dit wel voor het gas dat wordt gebruikt bij de productie.
Tarieven verhoogd
De afgelopen jaren zijn de energiebelastingtarieven voor aardgas verhoogd, vooral voor grootverbruikers (meer dan 170.000 m³), om het gebruik van fossiele brandstoffen te ontmoedigen. Daarnaast wordt de zogenoemde inputvrijstelling voor warmtekrachtkoppelingen (WKK’s) stapsgewijs beperkt. Deze maatregelen leiden tot hogere kosten voor warmtebedrijven, terwijl zij deze niet altijd volledig kunnen doorberekenen aan huishoudens vanwege gereguleerde maximumtarieven.
Bij de behandeling van het Belastingplan 2025 is de motie Inge van Dijk c.s. aangenomen. Hierin wordt het kabinet verzocht inzicht te geven in de impact van fiscale maatregelen op de bedrijfsvoering van warmtebedrijven en investeringen in verduurzaming, en zo spoedig mogelijk te verkennen hoe negatieve effecten kunnen worden weggenomen of verzacht.
Onderzoeksresultaten
Uit een onderzoek van Trinomics en BlueTerra in opdracht van het ministerie van Financiën blijkt dat de impact van de energiebelastingmaatregelen sterk verschilt per warmtenet. In de periode 2023-2027 ondervindt 75% van de sector geen negatieve gevolgen of zelfs een positief effect, doordat de stijging van de maximumtarieven hoger is dan de kostenstijging. Voor een kleinere groep (19%) zijn de kostenstijgingen echter één tot twee keer zo hoog als de inkomstenstijging, en voor 6% van de sector een kostenstijging die meer dan twee keer zo hoog is.
Tussen 2027 en 2030 nemen de kosten vooral toe bij warmtenetten die een WKK gebruiken, omdat de inputvrijstelling die van toepassing is op WKK’s stapsgewijs wordt beperkt. Met name warmtenetten die afhankelijk zijn van WKK’s of waar het gasverbruik grotendeels in de hogere belastingschijven valt, worden hard geraakt. Deze bedrijven hebben vaak al te maken met een onder druk staand financieel rendement en beperkte mogelijkheden om snel te verduurzamen. Bij 45% blijft de impact lager dan de stijging van de maximumwarmtetarieven. Voor 21% is de impact beperkt negatief, voor 18% substantieel negatief en voor 6% zeer substantieel negatief.
Mogelijke oplossingen
Het kabinet heeft drie opties overwogen om de negatieve effecten te verzachten:
1. Generieke verlaging van de energiebelasting op aardgas. Dit zou vooral grootverbruikers ten goede komen, maar is ondoelmatig omdat het voordeel niet specifiek bij de meest getroffen warmtebedrijven terechtkomt. Bovendien ondermijnt het de prikkel om te verduurzamen.
2. Aanpassing van de beperking van de inputvrijstelling voor WKK’s. Ook dit zou een breed effect hebben, inclusief sectoren buiten de warmtebranche, en zou CO₂-reductie kunnen vertragen.
3. Nieuwe bijzondere regeling voor warmtebedrijven. Een verlaagd tarief zou complex zijn om in te voeren en pas na 2030 effect kunnen hebben, terwijl de problematiek nu speelt.
Vanwege deze beperkingen kiest het kabinet ervoor geen grote wijzigingen in de energiebelasting door te voeren. Wel wordt gewerkt aan een kostengebaseerde tariefregulering, waardoor warmtebedrijven in de toekomst hun kosten beter kunnen doorberekenen. Deze systematiek wordt naar verwachting tussen 2029 en 2031 ingevoerd.
Uitbreiding stadsverwarmingsregeling
Een concrete maatregel die wel wordt doorgevoerd, is de aanpassing van de stadsverwarmingsregeling. Warmtebedrijven die tijdelijk niet aan de duurzaamheidseis van 50% restwarmte of biomassa voldoen vanwege calamiteiten of vervanging van warmtebronnen, worden hierdoor niet langer geconfronteerd met hoge energiebelastingkosten. Deze wijziging treedt per 1 januari 2026 in werking en moet voorkomen dat huishoudens onnodige tariefstijgingen ervaren.
Voor de vervanging van warmtebronnen is nog een besluit nodig tijdens de augustusbesluitvorming, omdat dit een budgettaire impact van € 8 miljoen per jaar heeft.
Lees hier de Kamerbrief.


Geef een reactie