In dit artikel brengt de auteur deze ontwikkelingen samen en schetst de contouren van wat er mogelijk komen gaat. [1]
Van woekerrente naar rechterlijke correctie
In 2023 en 2024 liep de belastingrente voor met name de vennootschapsbelasting op tot 8% respectievelijk 10%.[2] Dat percentage werd door velen als disproportioneel ervaren, zeker in het licht van de marktrente en het niet-punitieve karakter van belastingrente. Rechtbank Noord-Nederland oordeelde op 7 november 2024 dat het voor de vennootschapsbelasting vastgestelde percentage in strijd is met het evenredigheidsbeginsel van artikel 3:4, tweede lid, Algemene wet bestuursrecht.[3] Daarnaast verklaarde zij artikel 1, onderdeel b, van het Besluit belasting- en invorderingsrente (hierna: het besluit) onverbindend. Rechtbank Den Haag volgde op 22 juli 2025 met een vergelijkbaar oordeel en benadrukte dat de besluitgever budgettaire belangen wel, maar de belangen van Vpb-ondernemingen nauwelijks had meegewogen.[4] De kern: de regeling is onevenredig.
Deze uitspraken bleven niet zonder gevold. De zaak uit Noord-Nederland is via sprongcassatie rechtstreeks bij de Hoge Raad beland. Vanwege de potentieel brede impact nodigde de Hoge Raad, wat uitzonderlijk is voor de belastingkamer, derden uit om als amicus curiae hun visie te geven. Parallel daaraan wees de staatssecretaris van Financiën op 16 april 2025 bepaalde bezwaren tegen de belastingrente vanaf 1 oktober 2020 aan als massaal bezwaar.[5] Let wel, belastingplichtigen moeten nog steeds individueel bezwaar maken om van een gunstige einduitspraak van de Hoge Raad te kunnen profiteren.
De conclusie van de A-G
De conclusie van A-G Koopman markeert, als de Hoge Raad meegaat in zijn conclusie, een keerpunt. [6] Volgens de A-G is het in het besluit vastgestelde rentepercentage om drie, elk op zichzelf dragende redenen, onverbindend. Ten eerste heeft de besluitgever met het vaststellen van 8% zijn bevoegdheid overschreden. Ten tweede schendt de vaststelling het motiveringsbeginsel en ten derde is het percentage onevenredig. Tegen deze achtergrond acht de A-G het aannemelijk dat de Hoge Raad zal oordelen dat 8% belastingrente voor de vennootschapsbelasting geen stand houdt.
Belangrijk is de vraag wat voor dit onevenredige percentage in de plaats zou moeten komen. De A-G adviseert in ieder geval aan de Hoge Raad te kiezen voor aansluiting bij de wettelijke rente (niet-handel) van artikel 6:119 BW als vervangend referentiepunt. Als alternatief noemt hij een terugval naar het voorheen geldende percentage van 4%. Over andere heffingen dan de vennootschapsbelasting spreekt de A-G zich voorzichtig uit, met de kanttekening dat daarover geen partijdebat heeft plaatsgevonden. Niettemin is de kern van zijn analyse breder relevant, nu de doelen van belastingrente – compensatie, prikkel en neutraliteit – stelselmatig over de verschillende heffingen heen spelen. In de amicus-curiae-bijdragen klonk vooral de boodschap door dat de huidige rente geen gelijke tred houdt met marktrentes en door belastingplichtigen als boetematig wordt ervaren.[7] Wij wachten met spanning het oordeel van de Hoge Raad af.
Kabinetsreactie: beperkte stappen, grote keuzes doorschuiven
In de tussentijd heeft het kabinet op 20 oktober 2025 gereageerd op de eerder gepresenteerde beleidsopties voor de belasting- en invorderingsrente.[8] In dat verslag van schriftelijk overleg erkent het kabinet dat de systematiek de afgelopen jaren is versnipperd, maar kiest het – mede gelet op de demissionaire status en budgettaire implicaties – niet voor een integrale herziening. Structurele beslissingen over bijvoorbeeld koppeling aan marktrentes, differentiatie per doelgroep of ontkoppeling tussen belastingen en toeslagen worden doorgeschoven naar een volgend kabinet. Wel kondigde het kabinet twee concrete maatregelen aan. Allereerst wordt de rente op terugvorderingen en nabetalingen van toeslagen geschrapt, in de erkenning dat zo’n rente in die context geen effectieve gedragsprikkel vormt. Daarnaast wordt de invorderingsrente per 2026 vastgesteld op 4,3%; een beperkte aanpassing ten opzichte van het huidige niveau van 4%. Tegelijkertijd houdt het kabinet vast aan enkele uitgangspunten: een prikkel die “iets” boven marktniveau ligt, met de ECB-depositorente als referentie en een bescheiden opslag, en de mogelijkheid om voor de vennootschapsbelasting een hogere opslag te hanteren omdat ondernemingen gemiddeld een hoger rendement zouden kunnen behalen. Het beeld dat resteert is dat de Hoge Raad vermoedelijk eerder knopen doorhakt dan dat de wetgever een stelselwijziging doorvoert.
Wat betekent dit voor de praktijk?
Voor ondernemingen en particulieren staat één lijn intussen vast: rust op de regeling is er nog niet. Zolang de Hoge Raad geen definitieve uitspraak heeft gedaan en de wetgever geen structurele herijking doorvoert, is het raadzaam de vinger aan de pols te houden en waar passend tijdig bezwaar te maken tegen in rekening gebrachte belastingrente. De aanwijzing tot massaal bezwaar biedt een vangnet, maar alleen voor wie ook individueel binnen de termijn opkomt tegen het concrete rentebesluit. Tegelijkertijd lijken beleidsmatige bewegingen – zoals het schrappen van rente op toeslagen en het vastzetten van invorderingsrente – te wijzen op een behoedzame verschuiving richting lagere en beter uitlegbare rentes.
Vooruitblik
De combinatie van rechterlijke uitspraken, de indringende conclusie van de A-G en de voorzichtige politieke respons maakt één punt duidelijk: het huidige renteregime is niet houdbaar in de vorm waarin het in 2023 en 2024 is toegepast. Tegen die achtergrond is het verstandig dat de wetgever proactief orde op zaken stelt, in plaats van te wachten op een allesbepalend arrest. Een onmiddellijke verlaging naar in elk geval 4,3% zou de disproportionaliteit wegnemen, de voorspelbaarheid vergroten en langdurige procedures voorkomen. Dat past in de bredere oproep dat de overheid niet procedeert omdat het kan, maar alleen als het moet, en voorkomt een herhaling van langslepende dossiers waarin juridische onzekerheid en uitvoeringspraktijk botsen. Het is zaak pragmatisch te handelen en de belastingrente normatief te herijken op basis van marktrealiteit, transparante motivering en evenredigheid. Daarmee wordt niet alleen recht gedaan aan de positie van belastingplichtigen, maar ook aan het gezag en de legitimiteit van het fiscale stelsel als geheel.
[1] Zie voor eerdere bijdragen van auteur en kantoorgenoten: Woekerbelasting in beweging, cassatienieuws: belastingrente, oproep aan de overheid: pas de woekerbelastingrente nu meteen aan en wat vindt de amicus curiae van de belastingrente? Advocatenblad.
[2] Zie voor een overzicht van de percentages van de afgelopen jaren: overzicht percentages belastingrente.
[3] Rechtbank Noord-Nederland, 7 november 2024, ECLI:NL:RBNNE:2024:4361.
[4] Rechtbank Den Haag, 22 juli 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:16368.
[5] Kamerstukken II, 2024/25, 31066 nr. 1460.
[6] Concl. A-G Koopman, ECLI:NL:PHR:2025:1044.
[7] Zie bijvoorbeeld: Amicusprocedure belastingrente – NOB voor de reactie van de NOB.
[8] Kamerstukken II, 2024/25, 32140 nr. 282.



Geef een reactie