De rechtbank benadrukt dat deze geheimhouding nodig is voor effectief toezicht: banken moeten erop kunnen vertrouwen dat informatie aan de toezichthouder volledig vertrouwelijk blijft.
De zaak was aangespannen door drie buitenlandse beleggers, woonachtig in Malta en het Verenigd Koninkrijk, die slachtoffer werden van boilerroomfraude. Dat is een vorm van beleggingsfraude waarbij criminelen beleggers overhalen om zogenaamd – in dit geval in obligaties – te investeren, terwijl dat in werkelijkheid helemaal niet het geval is. Zij maakten in totaal ruim € 728.000 over naar een rekening bij ABN AMRO op naam van een Nederlandse BV, die fungeerde als doorgeefluik.
Voorbereiding aansprakelijkstelling bank
De gedupeerden overwegen een bodemprocedure tegen ABN AMRO. Volgens hen heeft de bank haar bijzondere zorgplicht geschonden door niet tijdig in te grijpen. Om hun proceskansen te kunnen inschatten, vroegen zij op grond van artikel 195 Rv inzage in onder meer fraude-alerts, blokkades van rekeningen en meldingen bij de Financial Intelligence Unit (FIU).
Het ging daarbij primair om inzage in de inhoud van die meldingen en de datum waarop de meldingen werden gedaan. Subsidiair vroegen de drie alleen om de data van de FIU-meldingen, om zo vast te stellen wanneer de bank subjectief bekend was met de fraude.
Geheimhoudingsplicht
De rechtbank wijst het verzoek af. Belangrijk is dat de bank al de meeste andere gevraagde stukken (zoals bankafschriften en data over rekeningblokkades) had verstrekt. Voor deze documenten ontbrak het inzagebelang daardoor, oordeelde de rechtbank. De kernvraag bleef of de bank FIU-informatie moest delen.
Dat hoeft niet, oordeelt de rechtbank. Op grond van artikel 23 Wwft rust op banken een strikte wettelijke geheimhoudingsplicht ten aanzien van (het al dan niet doen van) FIU-meldingen. Die geheimhoudingsplicht geldt jegens iedereen en vormt een ‘gewichtige reden’ die zich verzet tegen inzage in de zin van artikel 194 lid 2 Rv.
De rechtbank stelt expliciet dat deze geheimhouding zich niet alleen uitstrekt tot de inhoud van een FIU-melding, maar ook tot de vraag óf en wanneer een melding is gedaan. De rechtbank baseert zich hierbij op de Memorie van Toelichting bij de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht, waaruit blijkt dat een wettelijke geheimhoudingsplicht bij uitstek als zo’n “gewichtige reden” moet worden gezien. Het doel is effectief toezicht te bevorderen, door te waarborgen dat informatie aan de toezichthouder “vertrouwelijk en zonder terughoudendheid” kan worden verstrekt.
Vertrouwelijkheid
Het feit dat de gedupeerden zelf bereid waren tot geheimhouding van de informatie, maakt volgens de rechtbank geen verschil. Het algemene vertrouwelijkheidsbelang van het toezichtsysteem prevaleert:
“Dat [verzoekers] bereid zijn tot geheimhouding met betrekking van de verzochte informatie, maakt dat niet anders. Het gaat er immers om dat voor effectief toezicht nodig is dat – in dit geval – een bank erop kan vertrouwen dat de informatie die wordt verstrekt aan de toezichthouder, vertrouwelijk blijft ten opzichte van ieder ander. Terecht heeft ABN AMRO aangevoerd dat die geheimhoudingsplicht zich ook uitstrekt tot de vraag óf er een FIU-melding is gedaan. Anders dan [verzoekers] voorstaan, stuit dus ook het subsidiaire verzoek tot het verstrekken van informatie over data waarop een FIU-melding is gedaan af op deze geheimhoudingsplicht.”
De rechtbank wijst het verzoek daarom volledig af en veroordeelt de gedupeerden in de proceskosten van ABN AMRO, begroot op € 2.120. Die kostenveroordeling is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat de bank deze direct kan innen zonder te wachten op een eventueel hoger beroep.


Geef een reactie