In de zaak speelde het eerder uitgevoerde persoonsgerichte onderzoek door een RA een centrale rol bij het bewijs van de fraude, die jarenlang buiten het zicht van de reguliere financiële verslaggeving bleef. De uitspraak volgt op een periode van jarenlange civiele en strafrechtelijke procedures.
De verdachte werkte tussen 2012 en 2018 als administratief medewerkster bij een orthopedagogisch en didactisch leercentrum in Zeeland. In die functie boekte de vrouw facturen en bankmutaties en verzorgde betalingen. Ze beschikte daarom ook over de bankpassen van de instelling. Die positie stelde haar in staat om over een periode van ruim vijf jaar stelselmatig gelden aan het vermogen van de stichting te onttrekken.
Persoonsgericht onderzoek
De fraude kwam aan het licht bij het opstellen van de jaarrekening 2017. Daarop werd een registeraccountant ingeschakeld voor een persoonsgericht onderzoek naar onregelmatigheden over de jaren 2012 tot en met 2016. Dat onderzoek, uitgevoerd conform de NBA-handreiking 1112 en de richtlijnen van het Landelijk Register van Gerechtelijk Deskundigen, bracht een patroon aan het licht van onttrekkingen die in de administratie waren verhuld door onder meer fictieve boekingen, het manipuleren van bedragen en het niet verwerken van ontvangsten. Het rapport, met omvangrijke onderliggende documentatie, vormde in de civiele procedure de kern van de onderbouwing van de vordering tot schadevergoeding.
Oordeel hof
In de strafzaak baseert het hof de bewezenverklaring op onder meer de aangifte, het deskundigenrapport van de accountant en de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep. Omdat de vrouw het ten laste gelegde feit heeft bekend en geen vrijspraak is bepleit, kon worden volstaan met een opgave van bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359 lid 3 Sv.
Het hof acht bewezen dat sprake is van “verduistering gepleegd door haar die het goed uit hoofde van haar persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft”. Daarbij weegt zwaar dat de verdachte haar functie en het in haar gestelde vertrouwen heeft misbruikt en haar handelen actief heeft verhuld in de administratie, waardoor de fraude jarenlang onopgemerkt bleef voor de controlerend boekhouder. Het hof benadrukt dat het ging om een onderwijsinstelling gericht op kwetsbare leerlingen en rekent het de verdachte aan dat zij juist daar structureel gelden heeft onttrokken.
Toch geen cel
Bij de straftoemeting sluit het hof aan bij de LOVS-oriëntatiepunten, die voor fraude van deze omvang uitgaan van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 18 tot 24 maanden. Strafverzwarend acht het hof de lange duur en de stelselmatigheid van de verduisteringen. Daar staat echter een aantal strafmatigende omstandigheden tegenover. De verdachte is niet eerder veroordeeld, heeft een groot deel van de schade al terugbetaald, leeft al jaren op het bestaansminimum en draagt zorg voor haar echtgenoot en (klein)kinderen. Ook weegt mee dat de redelijke termijn is overschreden en dat de strafzaak aanvankelijk door het Openbaar Ministerie was geseponeerd, waarna vervolging pas na een artikel 12 Sv-procedure is bevolen.
Alles afwegend acht het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet langer opportuun. In plaats daarvan wordt een gevangenisstraf van twaalf maanden volledig voorwaardelijk opgelegd, met een proeftijd van twee jaar, gecombineerd met een taakstraf van 240 uur. Daarmee wijkt het hof af van zowel het vonnis in eerste aanleg als de eis van de advocaat-generaal, die een kortere voorwaardelijke gevangenisstraf had gevorderd.
De civiele component van de zaak loopt parallel aan de strafzaak. De verdachte is eerder al veroordeeld tot terugbetaling van het volledige verduisterde bedrag, waarbij het accountantsonderzoek eveneens doorslaggevend was voor de onderbouwing van de vordering. Inmiddels heeft de vrouw een aanzienlijk deel daarvan afgelost en staat haar woning onder beslag ter zekerheid van de resterende schuld.
Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, ECLI:NL:GHSHE:2026:1013


Geef een reactie