Volgens de rechtbank Gelderland staat dan ook vast dat het uitzendbureau over 2018 en 2019 niet de vereiste aangiften heeft gedaan. De rechtbank benadrukt daarbij expliciet dat de bestuurder en eigenaar van het uitzendbureau AA-accountant is. Juist daarom mocht volgens de rechtbank worden aangenomen dat hij wist, of zich ervan bewust moest zijn geweest, dat door de handelwijze van zijn bedrijf een aanzienlijk bedrag aan belasting niet werd geheven.
FIOD-onderzoek naar uitzendbureau
Het uitzendbureau detacheerde vooral Roemeense arbeidskrachten. In eerste instantie startte de Belastingdienst in 2019 een onderzoek naar de aangiften omzetbelasting. Dat onderzoek werd later uitgebreid naar de loonheffingen over meerdere jaren. Uiteindelijk volgde ook een strafrechtelijk onderzoek van de FIOD.
Volgens het controlerapport van de Belastingdienst vertoonde de loonadministratie ernstige gebreken. Zo zouden in perioden waarin wel personeel werd uitgezonden geen loonaangiften zijn gedaan, werden urenbriefjes achteraf aangepast en werden gewerkte uren op definitieve versies naar beneden bijgesteld. Ook ontbrak een kasadministratie terwijl wel contante loonbetalingen plaatsvonden.
Daarnaast trof de fiscus werknemers aan die niet in de loonadministratie voorkwamen, ontbraken identiteitsbewijzen en loonheffingsverklaringen en liepen factuurdata volgens de controleurs door elkaar. De inspecteur concludeerde uiteindelijk dat zowel de loonadministratie als de financiële administratie onvoldoende betrouwbaar waren om als basis voor de aangiften te dienen.
‘Structureel te weinig uren verloond’
In het strafrechtelijke onderzoek richtte de FIOD zich daarom nadrukkelijk op externe bronnen, zoals opdrachtgevers, bankmutaties, e-mailboxen met urenbriefjes, een salarisbureau en een payrollbedrijf.
Volgens het proces-verbaal werd na analyse van werkbonnen, facturen en urenoverzichten duidelijk dat de bestuurder structureel te weinig uren had verloond of laten verlonen. De FIOD schrijft dat de accountant-eigenaar verklaarde dat bewust minder uren waren opgenomen omdat het bedrijf over te weinig financiële middelen beschikte.
De FIOD concludeerde dat over de jaren 2017 tot en met 2019 in totaal 7.914 gewerkte uren van uitzendkrachten niet waren verloond. Daarnaast bleef volgens het onderzoek ook het gebruikelijk loon van de directeur-grootaandeelhouder buiten de loonadministratie. Alleen al daarvoor ging het volgens de FIOD om 8.650 uren.
In het proces-verbaal schrijft de FIOD bovendien dat de bestuurder “met zijn achtergrond van AA-accountant” geprobeerd zou hebben de financiële problemen van het uitzendbureau op te lossen “ten koste van de Belastingdienst”.
Voormalig aandeelhouder bleef werkzaamheden verrichten
Een deel van de correcties zag op betalingen aan de voormalige aandeelhouder van het uitzendbureau. Zij droeg haar aandelen in april 2018 over aan de accountant die het bedrijf daarna bestuurde en bezat, maar bleef daarna werkzaamheden verrichten.
De bestuurder verklaarde tijdens het boekenonderzoek dat zij daarna als zzp’er werkte. De Belastingdienst trof echter geen facturen aan en zag ook geen aanwijzingen dat haar werkzaamheden fiscaal als zelfstandig ondernemerschap waren verwerkt.
Wel bleek uit bankafschriften dat zij nog betalingen ontving van het uitzendbureau. Die bedragen merkte de inspecteur daarom aan als loon dat ten onrechte niet in de loonheffingen was betrokken.
Belastingdienst maakt schatting op basis van omzet
Omdat de administratie volgens de inspecteur niet bruikbaar was, maakte de Belastingdienst een schatting van de werkelijke loonsom. Daarbij werd uitgegaan van een verhouding van 60 procent brutoloon ten opzichte van de omzet.
Die benadering baseerde de fiscus op branchegegevens van vergelijkbare uitzendbureaus uit de regio, waar de verhouding tussen brutoloon en omzet tussen de 57 en 75 procent lag. Ook keek de inspecteur naar de door het uitzendbureau gehanteerde tarieven van ongeveer € 17 tot € 18 per uur en naar de wettelijke minimumlonen inclusief reserveringen voor vakantiegeld en vakantiedagen.
Verder gebruikte de Belastingdienst de beschikbare urenbriefjes. Daaruit leidde de inspecteur af dat in 2018 minimaal ruim 22.355 uur was gewerkt. Uitgaande van een bruto uurloon van € 13 zou ongeveer € 290.000 aan loon moeten zijn aangegeven, terwijl feitelijk slechts circa € 185.000 aan brutoloon in de aangiften voorkwam.
Geen vereiste aangiften gedaan
De rechtbank gaat uitgebreid in op de voorwaarden voor omkering en verzwaring van de bewijslast. Volgens vaste jurisprudentie is daarvoor vereist dat de aangiften inhoudelijke gebreken bevatten waardoor verhoudingsgewijs aanzienlijk te weinig belasting wordt geheven, terwijl de belastingplichtige wist of moest weten dat dit het gevolg was.
Volgens de rechtbank is daarvan sprake. Het uitzendbureau had immers zelf erkend dat over 2018 ongeveer 2.053 uur en over 2019 ongeveer 1.928 uur niet waren verloond. Ook stond vast dat betalingen aan de voormalige aandeelhouder buiten de loonadministratie waren gebleven en dat het gebruikelijk loon van de dga niet was aangegeven.
Verder nam de rechtbank mee dat de onderneming ernstige administratieve tekortkomingen niet had betwist. “Belanghebbende, althans haar bestuurder, wist dit of had dit moeten weten”, overweegt de rechtbank. “Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de bestuurder van belanghebbende ‘AA accountant’ is.”
Dat oordeel leidt ertoe dat de bewijslast wordt omgekeerd en verzwaard. Daardoor moest het uitzendbureau overtuigend aantonen dat de naheffingsaanslagen te hoog waren.
Verweer onvoldoende onderbouwd
Het uitzendbureau stelde nog dat de omzet geen goede basis vormde voor de schatting, omdat daarin ook andere activiteiten zaten dan uitzendarbeid. Ook zou een deel van de verloning via een payrollbedrijf hebben gelopen.
De rechtbank vindt dat verweer onvoldoende concreet onderbouwd. Het bedrijf heeft volgens haar niet inzichtelijk gemaakt welk deel van de omzet afkomstig was uit andere activiteiten. Ook bleef onduidelijk welke bedragen daadwerkelijk door het payrollbedrijf waren verloond.
Dat het bedrijf enkele facturen van het payrollbedrijf overlegde, was volgens de rechtbank niet genoeg om de schattingen van de inspecteur onderuit te halen.
Alleen correctie van € 36
De inspecteur had de naheffingsaanslagen in bezwaar al verminderd tot € 98.729 over 2018 en € 121.136 over 2019. De rechtbank ontdekte vervolgens nog een rekenfout in de uitspraak op bezwaar over 2018. Op basis van de daarin genoemde verminderingen kwam de aanslag feitelijk uit op € 98.693.
Alleen in zoverre is het beroep gegrond. Voor het overige blijven de naheffingen en belastingrente in stand.


Geef een reactie