Dat de vennootschap daardoor haar kans op deelname aan het coffeeshopexperiment verliest en naar eigen zeggen aanzienlijke investeringen op het spel zet, maakt de ontbinding niet onevenredig.
De BV was in 2020 opgericht met het oog op deelname aan het experiment en was na een loting op de wachtlijst geplaatst. In april 2024 ontbond de KvK de vennootschap aanvankelijk omdat zij niet bereikbaar was op het in het handelsregister ingeschreven adres, daarnaast geen jaarstukken had gedeponeerd en geen aangifte vennootschapsbelasting had gedaan. Die ontbinding werd na bezwaar teruggedraaid, omdat de procedure rond een eerder doorgegeven adreswijziging niet correct was verlopen.
Daarmee waren de andere twee tekortkomingen echter niet verdwenen. De KvK stuurde op 25 juli 2024 opnieuw een voornemen tot ontbinding. Toen ook na de wettelijke hersteltermijn van acht weken nog altijd geen jaarstukken waren gedeponeerd en geen aangifte vennootschapsbelasting was gedaan, werd de BV op 30 september 2024 opnieuw ontbonden.
Twee wettelijke gronden voldoende
Het CBb verwijst naar zijn vaste rechtspraak over artikel 2:19a BW. Daaruit volgt dat de KvK een rechtspersoon moet ontbinden wanneer na afloop van de hersteltermijn nog steeds ten minste twee van de in de wet genoemde omstandigheden bestaan. Alleen wanneer voor de KvK “volstrekt duidelijk is of behoort te zijn dat sprake is van een rechtspersoon die nog volop activiteiten verricht in het maatschappelijk verkeer”, mag van die bevoegdheid worden afgezien.
Vast stond volgens het College dat de BV sinds haar oprichting op 23 juni 2020 geen jaarstukken had gedeponeerd en geen aangifte vennootschapsbelasting had gedaan. Daarmee deden zich na afloop van de hersteltermijn nog steeds twee wettelijke ontbindingsgronden voor.
Problemen boekhouder komen voor rekening BV
De onderneming voerde aan dat zij haar boekhouder opdracht had gegeven om de aangifte vennootschapsbelasting te verzorgen en een jaarrekening op te stellen. Volgens de BV was de boekhouder daartoe uiteindelijk niet in staat geweest doordat op zijn kantoor brand was uitgebroken en hij vervolgens ziek werd.
Het College gaat daar niet in mee. De overgelegde stukken tonen volgens het CBb niet aan dat daadwerkelijk aangifte is gedaan of uitstel daarvoor is aangevraagd. Bovendien had de Belastingdienst aan de KvK laten weten geen bezwaar te hebben tegen de ontbinding.
Dat de onderneming haar fiscale verplichtingen aan een boekhouder had uitbesteed, komt volgens het College “voor haar rekening en risico”. Juist gezien de door de BV gestelde problemen bij de boekhouder mocht zij er niet op vertrouwen dat alles alsnog in orde zou komen. Daarbij weegt mee dat de onderneming al sinds het eerste voornemen tot ontbinding van 9 februari 2024 wist dat zij aangifte moest doen of jaarstukken moest deponeren om ontbinding te voorkomen.
Geen volop actieve rechtspersoon
Ook het beroep op de uitzondering voor ondernemingen die nog volop deelnemen aan het maatschappelijk verkeer slaagt niet. De BV had zelf bevestigd dat zij nog niet actief was, omdat zij nog altijd op de wachtlijst stond voor deelname aan het coffeeshopexperiment.
De stelling dat al aanzienlijke investeringen waren gedaan en nog een gerechtelijke procedure liep over de loting voor het experiment, acht het College onvoldoende. Die omstandigheden waren niet onderbouwd en tonen volgens het CBb niet aan dat sprake was van een rechtspersoon die daadwerkelijk volop activiteiten verrichtte. Ook hierbij wijst het College erop dat de BV sinds februari 2024 ruimschoots de gelegenheid had gehad om zulke activiteiten aannemelijk te maken, maar daarvan geen gebruik heeft gemaakt.
Geen strijd met evenredigheidsbeginsel
De BV stelde verder dat de ontbinding onevenredig uitpakt. Door de ontbinding kan zij niet langer deelnemen aan het coffeeshopexperiment en opnieuw inschrijven is volgens haar onmogelijk, omdat de aanvraagprocedure inmiddels is gesloten. Ook zouden de eerder gedane investeringen hierdoor verloren dreigen te gaan.
Het College erkent dat de ontbinding nadelige gevolgen heeft, maar ziet daarin geen bijzondere omstandigheden die toepassing van de wet buiten werking moeten stellen. Omdat artikel 2:19a BW een gebonden bevoegdheid bevat, moet worden beoordeeld of sprake is van omstandigheden die de wetgever niet al heeft meegewogen.
Volgens het CBb blijkt uit de parlementaire geschiedenis dat de wetgever artikel 2:19a BW juist heeft ingevoerd om lege vennootschappen eenvoudiger te kunnen ontbinden, misbruik tegen te gaan en het handelsregister op te schonen. Tegelijkertijd heeft de wetgever uitdrukkelijk de mogelijkheid opengehouden om een slapende vennootschap in stand te laten door aan de wettelijke verplichtingen te blijven voldoen. Die mogelijkheid stond ook voor deze BV open. Zij had door het deponeren van jaarstukken en het doen van aangifte vennootschapsbelasting de ontbinding kunnen voorkomen. Daarom zijn de door haar aangevoerde belangen volgens het College al in de wettelijke regeling verdisconteerd en bestaat geen aanleiding artikel 2:19a BW buiten toepassing te laten. Het beroep wordt ongegrond verklaard.
College van Beroep voor het bedrijfsleven, ECLI:NL:CBB:2026:274


Geef een reactie