Zij had moeten onderkennen dat haar objectiviteit ernstig werd bedreigd, had hoor en wederhoor moeten toepassen en mocht bovendien geen vertrouwelijke informatie uit een gesprek met de andere vennoot delen. De Accountantskamer legt daarom een tijdelijke doorhaling van één maand op.
Uitspraak: 25/2485 Wtra AK
De zaak draait om een joint venture waarvan beide vennoten ieder via hun persoonlijke holding voor de helft aandeelhouder waren. Nadat één van hen eind 2024 had aangekondigd de samenwerking te willen beëindigen, ontstond een conflict over de financiële afwikkeling. De accountant trad op voor beide holdings, de gezamenlijke vennootschappen én de beide vennoten persoonlijk.
Nadat één van de vennoten de relatie met de accountant opzegde, bleef ze wel accountant van de gezamenlijke vennootschappen en van de andere vennoot. Op diens verzoek stelde zij vervolgens een brief op met een voorstel om de financiële discussie te beslechten. Toen de advocaat van de vertrekkende vennoot haar verweet partij te hebben gekozen, verdedigde ze haar voorstel in een tweede brief.
Ernstige bedreiging van objectiviteit
Volgens de Accountantskamer had de accountant al moeten beseffen dat haar objectiviteit onder druk kwam te staan zodra duidelijk werd dat de joint venture zou worden beëindigd en de financiële afwikkeling mogelijk tot een geschil zou leiden. Als accountant van de gezamenlijke onderneming diende zij immers de belangen van beide vennoten, terwijl die belangen vanaf dat moment uiteenliepen.
Toen het conflict daadwerkelijk ontstond, de klagende vennoot de relatie met haar beëindigde en zij tegelijk accountant bleef van de gezamenlijke vennootschappen én van de andere vennoot, werd die bedreiging volgens de Accountantskamer alleen maar groter. Op het moment dat de andere vennoot haar vervolgens vroeg een voorstel voor de afwikkeling op te stellen, was sprake van een ernstige bedreiging van haar objectiviteit. Zonder een toereikende maatregel was haar rol als accountant van de joint venture volgens de tuchtrechter niet langer houdbaar.
De accountant onderkende die bedreiging echter op geen enkel moment, bleek al tijdens de zitting. Daardoor aanvaardde en verrichtte zij de opdracht zonder passende waarborgen te treffen. Ook nadat de advocaat van de klagende vennoot haar uitdrukkelijk had laten weten dat zij volgens hem niet langer als accountant van de joint venture kon optreden, bleef zij haar voorstel verdedigen.
Onterecht, volgens de Accountantskamer: “Dat betrokkene zichzelf kent en nooit iets zou opschrijven om iemand te bevoordelen, zoals zij op de zitting heeft verklaard, is niet relevant en mocht voor betrokkene geen reden zijn om aan te nemen dat haar objectiviteit niet in geding was. Betrokkene had professionele oordeelsvorming moeten toepassen en zich moeten afvragen wat een objectieve, redelijke en geïnformeerde derde in deze situatie aanvaardbaar en toereikend zou achten en dus niet wat betrokkene zelf van de situatie vond. Doordat zij dat heeft nagelaten, heeft zij niet ingezien dat haar objectiviteit in ernstige mate werd bedreigd. Bovendien bevatten haar brieven, anders dan betrokkene heeft betoogd, niet slechts een objectieve weergave van hetgeen zij in de boekhouding heeft aangetroffen. Zij heeft daarin immers ook haar eigen mening over bepaalde standpunten van klager gegeven en behalve het standpunt van de partner ook eigen standpunten verwoord.”
Geen hoor en wederhoor
De tuchtrechter kwalificeert de opdracht als een ‘overige opdracht’ waarop ook NBA-Handreiking 1127 over ondersteuning bij (potentiële) geschillen van toepassing is. De accountant had de opdracht uitsluitend van één vennoot gekregen, terwijl zij wist dat de financiële afwikkeling inmiddels onderwerp van een geschil was en beide partijen al een eigen advocaat hadden ingeschakeld. Dat sprake zou zijn geweest van een gezamenlijke opdracht blijkt volgens de Accountantskamer nergens uit.
Volgens de handreiking is hoor en wederhoor veelal noodzakelijk om tot een deugdelijke grondslag te komen. De accountant erkende dat zij dit niet had toegepast. Dat had wel gemoeten, oordeelt de Accountantskamer, omdat zij in haar brieven conclusies trok over onder meer de terug te betalen performancefee, managementvergoedingen en nog te factureren bedragen. De andere vennoot had daarom de gelegenheid moeten krijgen zijn visie te geven. Doordat dat niet gebeurde, ontbrak een deugdelijke grondslag en schond de accountant ook het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid.
Geen dreigement, wel schending geheimhouding
Een ander verwijt houdt geen stand. De accountant schreef dat overstappen naar een andere accountant “extra kostenposten van duizenden euro’s” zou opleveren. Volgens de Accountantskamer was dat slechts een waarschuwing voor de financiële gevolgen van een overstap en geen dreigement.
Wel ging de RA volgens de tuchtrechter over de schreef door in haar tweede brief informatie op te nemen uit een eerder gesprek met de klagende vennoot. Zij beschreef onder meer diens wisselende verklaringen over een performancefee, zijn reactie tijdens het gesprek en het ontbreken van schriftelijke afspraken. Dat betrof vertrouwelijke informatie die zij als accountant had verkregen en waarvoor geen schriftelijke toestemming was gegeven om deze met de andere vennoot en diens advocaat te delen. Daarmee schond zij het fundamentele beginsel van vertrouwelijkheid.
Maand doorhaling
De Accountantskamer verklaart de klachten over objectiviteit en vertrouwelijkheid gegrond en het klachtonderdeel over de voortzetting van de opdracht gedeeltelijk gegrond. Bij de maatregel weegt mee dat de accountant de fundamentele beginselen van objectiviteit, vakbekwaamheid en zorgvuldigheid en vertrouwelijkheid heeft geschonden. Ook rekent de tuchtrechter haar aan dat zij ondanks duidelijke signalen onvoldoende professionele oordeelsvorming toepaste, weinig reflectie toonde en onvoldoende inzicht liet zien in het onjuiste van haar handelen. Daarom wordt haar inschrijving in het accountantsregister voor de duur van één maand doorgehaald.


Geef een reactie