Zaak nr: 24/4266 en 25/1501 Wtra AK
De klager in de tuchtzaak meent dat de accountant – in het dagelijks leven werkzaam bij de Belastingdienst – in zijn bestuurlijke functies niet handelde in het algemeen belang of dat van de schietclub, en daarmee als accountant is tekortgeschoten in de uitoefening van zijn functie.
De Accountantskamer verklaart de klacht echter deels niet-ontvankelijk omdat de gedragingen waarover wordt geklaagd meer dan tien jaar voor de datum waarop de klacht is ingediend hebben plaatsgevonden. De klacht is voor het overige ongegrond. Niet gebleken is dat de accountant heeft gehandeld in strijd met enig fundamenteel beginsel, zo luidt het oordeel.
Nevenfuncties
De zaak draait om de Koninklijke Scherpschutters Vereniging Rotterdam (KSVR), een vereniging met een geschiedenis die teruggaat tot 1883. Ooit beschikte deze club over een eigen schietcomplex, dat in 1948 werd overgedragen aan een aparte stichting: de Stichting tot Instandhouding van Schietbanen te Rotterdam (SISR). In ruil daarvoor mocht de vereniging op afgesproken tijden kosteloos gebruik blijven maken van de banen.
De RA was lid en voorzitter van de bestuursraad van SISR, een toezichthoudend orgaan. De klager – een lid van de schietclub – stelde dat de accountant de KSVR jarenlang zou hebben bevoordeeld door afspraken uit 1979 te negeren en financiële voordelen voor de vereniging stil te houden. Ook zou hij onrechtmatig bestuursleden hebben ontslagen en de rechtbank hebben misleid over tariefafspraken.
Professionele dienst: ja
De RA voerde aan dat hij in zijn nevenfunctie als privépersoon handelde en niet als accountant. Onder professionele dienst wordt immers verstaan: “werkzaamheden waarvoor vakbekwaamheid als accountant wordt of kan worden aangewend” en daarvan is volgens de RA geen sprake. Ter zitting verklaarde hij echter dat hij vanwege zijn kennis en vakbekwaamheid als accountant aan de bestuursraad verbonden is.
Anders dan de accountant is de Accountantskamer daarom van oordeel dat zijn handelen in deze functie is aan te merken als een professionele dienst en dat hij zich daarbij moet houden aan alle fundamentele beginselen van de Verordening gedrags- en beroepsregels accountants (VGBA).
Verjaring en inhoudelijke beoordeling
Tot een veroordeling leidt dat niet. Veel verweten gedragingen dateren van meer dan tien jaar geleden en zijn daarmee verjaard op grond van de Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra). Voor zover de klacht wél tijdig is ingediend, ziet de Accountantskamer geen schending van fundamentele beginselen zoals integriteit of professionaliteit.
Zo acht de tuchtrechter het verdedigbaar dat voor de jaarrekening 2021 werd volstaan met een samenstellingsverklaring in plaats van de in de statuten genoemde ‘accountantsverklaring’, gelet op de hoge kosten van een volledige controle en de noodzakelijke statutenwijziging die gaande was. Ook een door de klager aangehaalde fout in de jaarrekening werd door de RA adequaat gecorrigeerd in een toelichtende paragraaf bij een latere jaarrekening.
Alles afwegend verklaart de Accountantskamer de klacht deels niet-ontvankelijk (wegens verjaring) en voor het overige ongegrond.


De slager die zijn eigen vlees keurt, zo ook hier.
De waarheid wordt verstopt onder de noemer “verjaard” en verder niet-ontvankelijk.
De beklaagde kan gewoon blijven zitten waar hij zit, zijn werkgever (de Belastingdienst) kan hier niets mee.
Jammer, gemiste kans.