De Kruijf deed samen met anderen onderzoek in opdracht van de Vereniging van Rekenkamers, en stelt dat er door toenemende onderbesteding en ‘openeinderegelingen’ in het sociaal domein een vertekend beeld van de werkelijkheid ontstaat. Hij onderzocht met 119 lokale rekenkamers de redenen dat gemeenten in de jaarrekening vaak geld overhouden, terwijl in de begroting nog een tekort werd verwacht.
Bankrekening steeds voller
De conclusie was dat ongeveer een kwart van de extra uitgaven die gemeenten jaar begroten, uiteindelijk niet daadwerkelijk wordt besteed. De inkomsten pakken vaak juist hoger uit dan begroot. Dat zorgt voor een reservebuffer die de financiële positie van gemeenten beter doet voorkomen dan hij werkelijk is. “De bankrekening van gemeenten wordt steeds voller”, zegt hij in vakblad Binnenlands Bestuur. “De schuldpositie wordt daardoor op papier steeds beter. De meeste gemeenten hoeven geen nieuwe leningen aan te trekken voor projecten, ze hebben nog kasgeld genoeg. Maar dat is niet omdat ze dat geld uiteindelijk niet nodig hebben. Het is simpelweg wachten op het moment dat ze het eindelijk kunnen uitgeven. En dan zal er toch weer geld aangetrokken moeten worden.”
Gebrek aan sturingsmogelijkheden
De Kruijf zit daarmee op dezelfde lijn als BDO, dat in zijn jaarlijkse benchmark al vaststelde dat gemeenten financieel kwetsbaarder zijn dan de cijfers doen vermoeden. Hij vindt dat er nieuwe kengetallen moeten komen waarbij rekening wordt gehouden met het gebrek aan sturingsmogelijkheden op bepaalde dossiers. “Kengetallen zijn bedoeld om een signaal af te geven over iets waarop het bestuur daadwerkelijk invloed kan uitoefenen. Dat is met de financiële kengetallen voor gemeenten niet meer het geval. En het tekent wel de beeldvorming over hoe gemeenten ervoor staan.”


Geef een reactie