Het verzoek wordt niet-ontvankelijk verklaard, omdat het bijzondere rechtsmiddel van herziening in accountantstuchtrecht uitsluitend openstaat voor de aangeklaagde accountant zelf.
Schending vertrouwelijkheid
De zaak gaat over een langlopend geschil over het handelen van een AA, die in 2014 op verzoek van de Belastingdienst stukken van een voormalige klant had doorgestuurd. Het ging onder meer om conceptjaarstukken uit 2002 en een vaststellingsovereenkomst uit 2009, terwijl de cliëntrelatie al in 2012 was beëindigd. De voormalige klant werd daardoor volgens zijn erfgenamen met een hoge belastingclaim opgezadeld.
De Accountantskamer oordeelde in 2020 dat de accountant daarmee het fundamentele beginsel van vertrouwelijkheid had geschonden en legde een waarschuwing op. In hoger beroep bevestigde het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) dit oordeel in 2023. Het College benadrukte toen dat vertrouwelijkheid ook na beëindiging van de cliëntrelatie blijft gelden en dat zonder toestemming van de cliënt geen gegevens mogen worden verstrekt, zeker niet op basis van een informeel verzoek van de fiscus.
Herzieningsverzoek erfgenamen
Na het overlijden van de oorspronkelijke klager zetten diens erfgenamen de procedure voort. Ze dienden in 2024 een verzoek tot herziening in van de uitspraak uit 2023. De erfgenamen voerden bij het CBb onder meer aan dat de accountant zonder toestemming stukken had verstrekt en dat zij door omstandigheden niet bij de zitting in hoger beroep aanwezig konden zijn, wat volgens hen in strijd is met het recht op een eerlijk proces.
Herziening alleen voor de accountant
Het College heeft dit verzoek opgevat als een verzoek om herziening van een onherroepelijke uitspraak.
Het CBb stelt voorop dat de Wet tuchtrechtspraak accountants geen expliciete regeling kent voor herziening. Uit vaste rechtspraak volgt echter dat in uitzonderlijke gevallen herziening mogelijk is. Die mogelijkheid is volgens het College beperkt tot “degene over wie was geklaagd”, dus de accountant tegen wie een maatregel is opgelegd.
De reden daarvoor ligt in het karakter van het tuchtrecht. In een tuchtprocedure loopt de accountant het risico op een maatregel die gevolgen kan hebben voor zijn recht om het beroep uit te oefenen. Dat maakt dat voor hem — en niet voor de klager — ruimte bestaat voor herziening van een onherroepelijke uitspraak.
Het College overweegt dat de Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra) niet voorziet in de mogelijkheid van herroeping of herziening van een uitspraak van het College op een hoger beroep tegen een uitspraak van de accountantskamer. Volgens de rechtspraak van het College (bijvoorbeeld de uitspraken van 21 maart 2017, ECLI:NL:CBB:2017:71; 22 mei 2018, ECLI:NL:CBB:2018:202; 30 mei 2023, ECLI:NL:CBB:2023:254 en 8 juli 2025, ECLI:NL:CBB:2025:359) brengen de algemene beginselen van behoorlijk (tucht)procesrecht mee dat in bijzondere gevallen om herziening kan worden verzocht van een onherroepelijk geworden uitspraak. Deze rechtspraak houdt in dat slechts door degene over wie was geklaagd om herziening kan worden verzocht van een onherroepelijk geworden uitspraak waarbij een maatregel is opgelegd. De reden daarvoor is dat in een tuchtrechtelijke procedure voor de betrokken accountant het risico speelt dat een maatregel wordt opgelegd die van invloed kan zijn op het burgerlijk recht om het beroep van accountant uit te oefenen.
Geen beroep op artikel 6 EVRM
De erfgenamen deden ook een beroep op het recht op een eerlijk proces (artikel 6 EVRM). Het College verwerpt dat beroep. Onder verwijzing naar de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens overweegt het CBb dat artikel 6 EVRM alleen van toepassing is als het gaat om de vaststelling van burgerlijke rechten en verplichtingen of om een tegen iemand ingestelde vervolging.
Volgens het College is daarvan geen sprake aan de zijde van de klager in een accountantstuchtrechtelijke procedure. Die procedure ziet niet op diens burgerlijke rechten of verplichtingen, en er is evenmin sprake van een tegen de klager gerichte vervolging. Eventuele tuchtmaatregelen richten zich uitsluitend tegen de accountant en kunnen diens beroepsuitoefening raken, niet die van de klager.
Daaruit volgt dat artikel 6 EVRM geen grond biedt om de kring van gerechtigden tot het indienen van een herzieningsverzoek uit te breiden.
Het College overweegt (zie ook de uitspraak van 30 mei 2023) dat het in artikel 6 van het EVRM beschermde recht op een eerlijk proces een ieder toekomt voor zover het gaat om vaststelling van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of om het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging. Volgens de rechtspraak van het EHRM (zie onder meer de arresten van het EHRM van 28 juni 1978, no. 6232/73, König/Duitsland, van 10 februari 1983, no. 7299/75 en 7496/76, Albert en Le Compte/België en van 9 juli 2013, no. 51160/06, Di Giovanni/Italië, https://hudoc.echr.coe.int) valt niet iedere tuchtprocedure per definitie onder de bescherming van artikel 6 EVRM, maar kan een tuchtprocedure leiden tot de vaststelling van burgerlijke rechten en verplichtingen in de zin van artikel 6, eerste lid, van het EVRM, indien de tuchtrechtelijk aangeklaagde persoon hierin gesanctioneerd kan worden met een verbod of een schorsing van het recht zijn beroep uit te oefenen. In het arrest van het EHRM van 22 juli 2021, no. 43447/19, Reczkowicz/Polen, heeft het EHRM herhaald dat artikel 6 van het EVRM toepasbaar is op tuchtprocedures waarin het recht om een beroep te blijven uitoefenen in het geding is. In die zaak ging het om een advocaat die door een in Polen opgerichte disciplinaire tuchtkamer van het Hooggerechtshof tijdelijk van haar functie was ontheven. Uit deze rechtspraak van het EHRM valt naar het oordeel van het College niet af te leiden dat artikel 6 van het EVRM van toepassing zou zijn op de klagende partij die de tuchtklacht aanhangig maakt. De accountantstuchtrechtelijke procedure ziet immers niet op de vaststelling van de burgerlijke rechten en verplichtingen van de klagende partij en ook van een tegen de klager ingestelde vervolging is geen sprake. Diens recht om een beroep uit te oefenen, staat niet op het spel en ook eventuele op te leggen tuchtmaatregelen richten zich niet tegen hem.
Niet-ontvankelijk
Omdat het recht op herziening niet openstaat voor klagers, kunnen de erfgenamen daarin niet worden ontvangen. Het College komt daarom niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de door hen aangevoerde gronden, waaronder de gang van zaken rond de eerdere zitting.
De slotsom is dat het verzoek tot herziening van de uitspraak van 12 september 2023 niet-ontvankelijk wordt verklaard.
College van Beroep voor het bedrijfsleven, ECLI:NL:CBB:2026:149


Geef een reactie