Dat komt naar voren uit een deze week gepubliceerd vonnis van de rechtbank Rotterdam. De voorzieningenrechter boog zich over de vraag wie bevoegd is een boekenonderzoek door een accountant te gelasten, en of daarvoor instemming van het Erasmus Medisch Centrum Rotterdam is vereist.
Het geschil draait om het zogeheten Euroclonality Consortium, een internationaal samenwerkingsverband van universitaire medische instituten dat zich richt op de ontwikkeling en standaardisatie van diagnostische testen voor bloed- en lymfekanker. De in Leiden gevestigde Stichting Euroclonality stelt binnen dat verband een coördinerende rol te vervullen, onder meer op financieel en juridisch vlak. In dat kader had de stichting een accountant opdracht gegeven tot een boekenonderzoek bij het Amerikaanse Invivoscribe, Inc. (IVS), naar aanleiding van vermeende onregelmatigheden in royaltybetalingen sinds het najaar van 2021.
Kort geding
Aanvankelijk werkten de Amerikanen mee, maar later stelde IVS dat voortzetting van het onderzoek afhankelijk was van instemming door Erasmus MC. Die instemming bleef uit. Erasmus MC betoogde dat uitsluitend zij bevoegd is een dergelijk onderzoek te initiëren. De stichting vorderde daarop in kort geding primair, onder oplegging van een dwangsom, dat Erasmus MC alsnog zou instemmen met het accountantsonderzoek, en subsidiair dat het vonnis die instemming zou vervangen.
Oordeel
De voorzieningenrechter oordeelt echter dat de stichting onvoldoende spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen tot het afdwingen van instemming met een boekenonderzoek. Daarmee strandt de zaak al zonder inhoudelijke beoordeling van het onderliggende geschil, waar dan ook verder niet uitgebreid op in wordt gegaan.
De voorzieningenrechter plaatst de zaak binnen het klassieke toetsingskader van het kort geding: vereist is niet alleen een aannemelijke kans van slagen in een bodemprocedure, maar allereerst een voldoende spoedeisend belang bij de gevraagde voorlopige voorziening. Juist op dat punt schiet de vordering tekort.
Spoedeisendheid
De stichting voerde aan dat onduidelijkheid over de juistheid van ontvangen royalty’s per definitie spoedeisendheid oplevert, mede omdat deze inkomsten essentieel zijn voor de financiering van wetenschappelijk onderzoek. De voorzieningenrechter volgt die redenering niet. Dat er onzekerheid bestaat over de nakoming van contractuele verplichtingen, betekent volgens de rechtbank niet zonder meer dat de uitkomst van een bodemprocedure niet kan worden afgewacht. Een andere benadering zou het vereiste van spoedeisend belang uithollen en feitelijk iedere betwiste betalingsverplichting geschikt maken voor kort geding.
Ook het argument dat snelheid op zichzelf een rechtvaardiging vormt, wordt expliciet verworpen. Dat een kort geding sneller tot een beslissing leidt dan een bodemprocedure, is volgens de rechtbank geen zelfstandig dragende grond voor spoedeisendheid. De rechter benadrukt dat vrijwel iedere eiser belang heeft bij een snelle uitkomst, maar dat dit niet samenvalt met het juridisch vereiste spoedeisend belang.
Voortbestaan
De stichting voerde daarnaast aan dat het voortbestaan van het Consortium in gevaar zou komen zonder duidelijkheid over de royalty’s. Ook dat betoog houdt geen stand. Erasmus MC had gemotiveerd betwist dat sprake is van een acute financiële dreiging, en de Stichting heeft die stelling volgens de voorzieningenrechter onvoldoende concreet onderbouwd. Daarbij weegt mee dat het geschil betrekking heeft op betalingen uit de periode 2021 tot en met 2024. Tegen die achtergrond had een nadere toelichting op de gestelde urgentie mogen worden verwacht.
Heel veel geschilpunten
De afwijzing van de vorderingen betekent dat de rechter niet toekomt aan de inhoudelijke geschilpunten tussen partijen. Die zijn volgens het vonnis talrijk en fundamenteel: onenigheid bestaat onder meer over de interne bevoegdheidsverdeling binnen het Consortium, de vertegenwoordigingsbevoegdheid, de vraag wie een boekenonderzoek mag initiëren en de toelaatbaarheid van door IVS verrekende kosten ter bescherming van patenten.
De voorzieningenrechter besteedt ten overvloede expliciet aandacht aan deze onderliggende spanningen en roept partijen op alsnog met elkaar in overleg te treden. Gewezen wordt op hun gedeelde belang bij zowel de bescherming van intellectuele eigendomsrechten als de voortgang van wetenschappelijk onderzoek en het innen van royalty’s. In dat licht kan ook de vraag naar voortzetting van het boekenonderzoek opnieuw onderwerp van gesprek zijn.
De Stichting wordt als verliezende partij veroordeeld in de proceskosten, begroot op € 2.101, inclusief nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente ex artikel 6:119 BW. Die veroordeling is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.


Geef een reactie