Zaak nr: 25/3556 Wtra AK
Een registeraccountant die als extern compliance officer optreedt, kan zich niet zonder meer verschuilen achter de stelling dat zij niet als accountant handelt. Dat werd vrijdag duidelijk tijdens een zitting van het tuchtcollege, waar een RA zich moest verantwoorden over een compliance-rapport dat zij opstelde voor de Amsterdamse vermogensbeheerder B.A. van Doorn.
Klager was Sam van Doorn (81), achterkleinzoon van de oprichter en grootaandeelhouder van dit in 1831 opgerichte bedrijf. Hij ligt al geruime tijd in de clinch met NMS Beheer, de persoonlijke beheer-bv van directeur Albert Maingay. NMS Beheer, eveneens grootaandeelhouder van de vermogensbeheerder, wil de aandelen van Van Doorn overnemen, maar partijen verschillen van mening over zowel de voorwaarden als de waarde van de onderneming. De Ondernemingskamer heeft inmiddels een deskundige benoemd om die waarde vast te stellen.
De verhouding tussen beide kampen is al langer gespannen. Eerder diende Van Doorn met succes een tuchtklacht in tegen de accountant van de vermogensbeheerder. Die kreeg van de Accountantskamer onder meer een tik op de vingers omdat hij onvoldoende had onderzocht of een verhoging van managementvergoedingen was gebaseerd op een rechtsgeldig aandeelhoudersbesluit.
Ditmaal richtte Van Doorn zijn pijlen op de externe compliance officer van de onderneming. Volgens hem heeft zij in een compliance-rapport uit juni 2025 ten onrechte geconcludeerd dat B.A. van Doorn uitsluitend vaste vergoedingen betaalt aan zelfstandigen en geen omzetgerelateerde aanbrengprovisies. Bovendien zou onduidelijk zijn op welke feiten en omstandigheden die conclusie is gebaseerd.
“Deze rapportage is bezijden de waarheid”, stelde advocaat Cander van der Veen namens Van Doorn. Volgens hem wist de accountant al sinds 2014 dat binnen de onderneming sprake was van volledig variabele beloningen, terwijl op grond van de regelgeving een maximum van 20 procent geldt. “Daarmee zet zij als RA haar vakbekwaamheid als accountant in voor rapportages die ten onrechte de indruk wekken dat aan wet- en regelgeving werd voldaan.”
Ter onderbouwing verwees Van der Veen onder meer naar verklaringen van het hoofd administratie, notulen van de bava in 2025 en een arbeidscontract van een nieuwe medewerker. Bij dat contract was een e-mail gevoegd waarin directeur Maingay volgens klager wel degelijk spreekt over provisies. Van Doorn verwijt de accountant bovendien dat zij haar rapportage heeft laten gebruiken om invloed uit te oefenen op procedures bij de Ondernemingskamer.
Volgens Menno Jansen, advocaat van de RA, mist de klacht echter doel. Van enige vorm van assurance is volgens hem geen sprake. De werkzaamheden van zijn cliënte zouden adviserend en ondersteunend van aard zijn en moeten worden onderscheiden van een controleopdracht. “Het is dan ook onjuist om deze werkzaamheden gelijk te stellen aan die van een registeraccountant”, betoogde hij.
De accountant baseerde haar conclusies volgens Jansen onder meer op gesprekken met de directie en op informatie van het hoofd administratie. Die zou herhaaldelijk hebben bevestigd dat eventuele variabele beloningen binnen de wettelijke grenzen bleven. Ook verwees de advocaat naar informatie van de AFM. Naar aanleiding van klachten van Van Doorn zou de toezichthouder hebben laten weten geen overtreding van het provisieverbod te constateren.
Met name dat verweer over haar rol als compliance officer stuitte bij de Accountantskamer op scepsis. De tuchtrechters hielden de accountant voor dat haar registratie als accountant niet eenvoudig kan worden losgekoppeld van haar werkzaamheden.
“Ik ben accountant, maar niet in deze functie”, hield de RA vol.
“U tekent wel als accountant. Dat zit toch in uw DNA?”, wierp een van de leden tegen.
De voorzitter sloot zich daarbij aan. “Zelfs als penningmeester van de plaatselijke voetbalclub kan een accountant een tuchtklacht aan zijn broek krijgen. Als accountant moet u ervoor staan dat dit goed gebeurt. Dat geldt ook voor het compliance-rapport waar het in deze klacht over gaat.”
De rechters stonden vervolgens uitgebreid stil bij de e-mail van de directeur aan een nieuwe medewerker waarin over provisies wordt gesproken.
“Ging er bij u toen geen rood licht branden?”, vroeg een van de leden.
Dat was volgens de accountant wel degelijk het geval. Zij had de kwestie naar eigen zeggen direct voorgelegd aan de directeur, die het bericht afdeed als ‘proefballonnetje’. Omdat in het uiteindelijke arbeidscontract geen provisieregeling was opgenomen, zag zij geen aanleiding daar verder iets mee te doen.
De voorzitter en leden van het college namen daar zichtbaar geen genoegen mee.
“Had u niet moeten vragen: waarom is dit mij niet verteld, dit raakt aan mijn integriteit?”, hield de voorzitter haar voor.
Na enige aarzeling antwoordde de accountant: “Ehh, ja.”
“Volgens mij overtuig ik u niet”, reageerde de voorzitter droog.
Ook haar verwijzing naar het feit dat het uiteindelijke arbeidscontract volgens haar voldeed aan de geldende regelgeving op het gebied van beloningen, maakte weinig indruk.


Geef een reactie