Volgens de auteurs, beiden hoogleraar aan de Universiteit Utrecht, dreigt het kabinet ondernemingen te beoordelen op basis van innovativiteit en schaalbaarheid, terwijl daarmee nog niet vaststaat dat een fiscale tegemoetkoming terechtkomt bij maatschappelijk relevante innovatie.
In het nieuwe box 3-stelsel is het uitgangspunt dat vermogen wordt belast op basis van werkelijk rendement. Daarbij kiest het wetsvoorstel in beginsel voor een vermogensaanwasbelasting: ook niet-gerealiseerde waardestijgingen worden jaarlijks in de heffing betrokken. Voor onroerende zaken en aandelen in start- en scale-ups is echter een afwijkende behandeling voorzien. Die zouden onder een vermogenswinstbenadering vallen, waarbij pas belasting wordt geheven als het voordeel daadwerkelijk wordt gerealiseerd, bijvoorbeeld bij verkoop.
Die uitzondering moet voorkomen dat investeerders jaarlijks belasting moeten betalen over papieren waardestijgingen van illiquide aandelen. Juist bij start- en scale-ups kan de waardeontwikkeling sterk schommelen, terwijl de aandelen vaak moeilijk verkoopbaar zijn en er geen liquide middelen vrijkomen om de belasting te betalen.
Innovatief en schaalbaar als discutabel criterium
Het kabinet werkt aan een nieuwe definitie van start- en scale-ups voor de fiscaliteit. AV schreef in het artikel Nieuwe startupdefinitie voor box 3 en aandelenoptieregeling dat de voorgestelde definitie rust op vier cumulatieve voorwaarden: de onderneming moet innovatief zijn en schaalbare activiteiten hebben, een concreet groeiplan kunnen tonen, worden gedreven in een bv, nv of vergelijkbare Europese rechtsvorm en financieel voldoende levensvatbaar zijn. De beoordeling zou bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland komen te liggen.
Volgens Boon en Frenken is dat criterium echter te grof. Innovativiteit en schaalbaarheid zeggen volgens hen nog onvoldoende over de maatschappelijke waarde van een onderneming. Sterker nog, deze criteria kunnen leiden tot een willekeurige selectie van bedrijven. Ondernemingen met een sterk schaalbaar verdienmodel of een ‘innovatief’ profiel worden dan fiscaal bevoordeeld, terwijl maatschappelijk relevantere maar minder schaalbare innovaties juist buiten de boot vallen. Hun kernpunt is dat een fiscale uitzondering niet alleen terecht zou moeten komen bij ondernemingen die snel kunnen groeien, maar vooral bij bedrijven die bijdragen aan maatschappelijk relevante innovatie.
Daarmee plaatsen zij de voorgestelde behandeling van start- en scale-ups in een bredere discussie over de vraag welke vormen van ondernemerschap fiscaal moeten worden ontzien of gestimuleerd. Een snel schaalbaar verdienmodel is niet automatisch maatschappelijk gewenst, terwijl minder snel schaalbare innovaties volgens de auteurs juist wel publieke waarde kunnen hebben.
Welke aandelen in box 3?
De discussie is relevant omdat de afbakening straks onder meer bepaalt welke aandelen in box 3 onder de vermogenswinstbenadering vallen. Een positieve beoordeling kan daarmee bepalend worden voor de fiscale behandeling van het aandelenbelang in box 3. Dat raakt onder meer investeringsstructuren, werknemersparticipaties en de structurering van aandelenbelangen in box 2 of box 3.
AV wees eerder al op die spanning in de column van Tjarko Denekamp en Peter Beets: Het nieuwe box 3-stelsel: doorpakken, bijsturen of opnieuw beginnen?. Daarin stond de bredere vraag centraal of het nieuwe stelsel moet worden aangepast, doorgezet of opnieuw ontworpen. Ook in het artikel Vermogensaanwasbelasting box 3: heroverweeg werknemersparticipaties van Ewoud de Ruiter kwam het risico aan de orde dat werknemers belasting moeten betalen over aandelen waarvan de waarde wel stijgt, maar waarvoor nog geen cash beschikbaar is.
Voor start- en scale-ups wil het kabinet dat liquiditeitsprobleem deels ondervangen met een vermogenswinstbenadering. De discussie verschuift daarmee naar de vraag welke ondernemingen daarvoor in aanmerking moeten komen. Bovendien laat het zien dat box 3 niet alleen technisch is, maar ook een impliciete industriepolitiek bevat: welke innovaties de overheid fiscaal wil bevoordelen?


Boon en Frenken zeggen terecht dat “innovatief en schaalbaar” een vaag criterium is, maar hun eigen voorstel (maatschappelijke relevantie) is nog vager.