Een bij een FIOD-inval opgedoken handgeschreven notitie waarin een AA het woord overuren met aanhalingstekens had opgeschreven doet hem de das om. Die aanhalingstekens en een ander detail in de notitie vormen volgens het CBb een sterke aanwijzing dat bij de klant van de accountant geen sprake was van overuren die daadwerkelijk gemaakt zijn, maar van een constructie met als doel de dga in geval van een faillissement in een financieel gunstiger positie te brengen.
Dat oordeelt het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) in het hoger beroep dat de AA had aangespannen. De accountant was het niet eens met het oordeel van de Accountantskamer, waar hij in april 2019 een doorhaling van drie maanden opgelegd kreeg. Het CBb bevestigt nu echter de uitspraak van de Zwolse tuchtrechter.
Het is volgens het CBb voldoende aannemelijk dat de AA in het zicht van het faillissement van de klant meewerkte aan het opstellen van een gefingeerde tegenvordering (de overuren) om zo de rekening-courantschuld van de dga aan het bedrijf te verminderen. De accountant leende bovendien aanzienlijke bedragen aan de klant en had daarin een serieuze bedreiging moeten zien voor zijn objectiviteit als accountant, oordeelt het CBb. Het treffen van maatregelen ter waarborging van zijn objectiviteit was aangewezen. Nergens is echter uit gebleken dat de AA zich bewust was van de bedreiging, dat hij die heeft beoordeeld en dat hij maatregelen heeft getroffen.
Uitspraak: ECLI:NL:CBB:2021:185
Faillissement
De AA is sinds 28 november 1990 ingeschreven in het register en voerde sinds 2003 accountantswerkzaamheden uit voor de dga en enkele aan hem verbonden vennootschappen. Op meerdere momenten in 2012 en 2013 leende hij geld uit aan de dga, tot een totaalbedrag van € 85.000,- Het ging echter financieel niet goed met de ondernemer en op 14 mei 2013 sprak de rechtbank Oost-Brabant het faillissement van een CV van hem uit, waarmee hij zich bezighield met publiciteitscampagnes op het gebied van onroerend goed. Aan de AA was de CV op die datum een bedrag van € 461.366,69 voor geleverde diensten en een bedrag van € 345.000,00 uit hoofde van verstrekte geldleningen verschuldigd.
Boekenonderzoek en doorzoeking FIOD
In het kader van het faillissement startte de Belastingdienst op 12 november 2013 een boekenonderzoek. De fiscus stelde op basis daarvan dat voorafgaand aan het faillissement een aantal transacties hadden plaatsgevonden waardoor schuldeisers van de gefailleerde CV mogelijk benadeeld waren. De curator deed aangifte van een vermoeden van faillissementsfraude. Die aangifte leidde in 2016 tot een strafrechtelijk onderzoek door de FIOD. In het kader van dat onderzoek werd ook een huiszoeking gedaan in de woning van de AA, die dienst deed als het kantooradres van zijn accountantskantoor.
Handgeschreven notities
Bij de doorzoeking van de woning van de AA door de FIOD werden enkele belastende handgeschreven notities aangetroffen, waarin ook stond:
“(…) “Overuren” per jaar à bv 125%
Minimaal 1.000 overuren per jaar (nadeel, loon is relatief gering)
→ Verlonen op febr./maart
↑ Voorkeur
(…)”
OM naar Accountantskamer
Fraude-aanpakker Ron Dohmen spande daarop namens het OM een zaak bij de Accountantskamer aan tegen de AA. De tuchtrechter verklaarde in 2019 klachtonderdelen over zowel de leningen als het adviseren over potentieel frauduleuze handelingen en/of vermoedelijke faillissementsfraude gegrond. De Accountantskamer overwoog dat weliswaar geen gedrags- of beroepsregel het verstrekken van een geldlening door een accountant aan een cliënt categorisch verbiedt, maar dat het aangaan van een lening aan een cliënt moet worden aangemerkt als een bedreiging van niet te verwaarlozen betekenis voor de naleving van het fundamentele beginsel van objectiviteit. De Accountantskamer was van oordeel dat de AA, toen hij een overeenkomst van geldlening aanging met zijn cliënt, onvoldoende maatregelen had genomen ter waarborging van zijn objectiviteit.
Ten aanzien van het klachtonderdeel over fraude-advies constateerde de Accountantskamer onder meer: ‘Uit de handgeschreven notities komt het beeld naar voren dat appellant geadviseerd heeft over potentieel frauduleus handelen, waardoor schuldeisers van de CV benadeeld zouden kunnen worden. Dit beeld heeft appellant niet kunnen corrigeren.’ Volgens de Accountantskamer was het voldoende aannemelijk dat de AA zich ongepast had laten beïnvloeden door de wens van zijn cliënt om met een (gefingeerde) tegenvordering de rekening-courantschuld van zijn cliënt aan de CV te verminderen. Daardoor heeft hij niet eerlijk en oprecht opgetreden. Aldus heeft hij in strijd met de in artikel A-100.4, onder a en b, van de Verordening gedrags- en beroepsregels accountants (VGC) neergelegde fundamentele beginselen van integriteit en objectiviteit gehandeld, oordeelde de tuchtrechter.
Hoger beroep: leningen
De accountant legde zich niet neer bij de gegrondverklaring op basis waarvan de Accountantskamer hem een doorhaling van drie maanden oplegde. Het hoger beroep is echter tevergeefs, want ook het CBb vindt zijn handelen niet in de haak. Het College is van oordeel dat de AA in het aangaan van de aanzienlijke geldleningen in 2003 en het sluiten van de overeenkomst van geldlening op 1 augustus 2014 een serieuze bedreiging had moeten zien voor zijn objectiviteit als accountant van de ondernemer en de met hem verbonden vennootschappen, en dat het treffen van maatregelen ter waarborging van zijn objectiviteit aangewezen was. Niet gebleken is dat de accountant zich bewust was van genoemde bedreiging, dat hij deze heeft beoordeeld en dat hij genoemde maatregelen heeft getroffen. Ter zitting bij de Accountantskamer heeft de AA toegelicht dat hij nooit heeft geleefd met de gedachte dat sprake zou kunnen zijn van “twee petten”, omdat hij enerzijds accountant van de dga was en anderzijds geld aan hem had uitgeleend. Het schriftelijk vastleggen van de lening, het bedingen van rente en pandrecht en het afsluiten van een levensverzekering op het leven van de dga dienen met name ter verzekering van het terugbetalen van de lening en zijn daarmee gericht op de bescherming van het financiële belang van de AA. Van maatregelen ter voorkoming van aantasting van de door hem in acht te nemen objectiviteit kan hierbij dan ook niet worden gesproken.
Gelet daarop heeft de Accountantskamer naar het oordeel van het CBb terecht geconcludeerd dat de AA heeft gehandeld in strijd met het conceptueel raamwerk als bedoeld in artikel A-100.5 en volgende van de tot 4 januari 2014 geldende VGC, alsmede met het fundamentele beginsel van objectiviteit zoals neergelegd in artikel A-120.2 van de VGC en in de artikelen 11 en 21 van de per genoemde datum geldende Verordening gedrags- en beroepsregels (VGBA). Dat dit volgens de AA bij reviews van de SRA nimmer tot de conclusie heeft geleid dat hij tuchtrechtelijk laakbaar heeft gehandeld, doet hier niet aan af.
Hoger beroep: fraude-advies
De AA stelde verder onder meer dat de Accountantskamer de handgeschreven notities onjuist heeft geïnterpreteerd en dat hij slechts scenario’s heeft geschetst over hoe om te gaan met het verlonen van overwerk. Het College volgt echter de Accountantskamer in het oordeel dat het gebruik van aanhalingstekens bij het woord “overuren” en de wijze waarop het verlonen van minimaal 1.000 overuren per jaar vermeld wordt, een sterke aanwijzing vormen dat geen sprake was van overuren die daadwerkelijk gemaakt zijn, maar van een constructie met als doel de dga in geval van een faillissement in een financieel gunstiger positie te brengen. Dit beeld wordt bevestigd doordat de AA vier verschillende overzichten van overwerk aan de dga heeft gezonden, die van elkaar afwijken op het punt van onder meer het aantal gewerkte uren per week en het aantal gewerkte weken. Dat het om een constructie met het hiervoor vermelde doel gaat, valt ook af te leiden uit de opmerking in de handgeschreven notitie, dat moet worden opgelet omdat de curator alles wil zien. De door de accountant in het beroepschrift gegeven toelichting bij de aanhalingstekens – deze zou hij hebben geplaatst enerzijds vanwege twijfel over de benaming van de overuren en anderzijds twijfel of de opgave realistisch was – doen niet af aan dit beeld.
Uit handgeschreven notities van 1 maart 2013 komt verder het beeld naar voren dat het initiatief niet enkel van de dga kwam, maar dat de AA en de dga diverse malen met elkaar hebben gesproken en dat de AA daarbij een adviserende rol heeft gespeeld die verder ging dan het passief noteren van door de dga voorgestelde scenario’s. De stelling van de accountant dat hij slechts opgaven heeft verwerkt waarvan zijn cliënt aangaf dat daartoe een grond bestond, blijkt niet uit de notities. Wel blijkt uit de notities dat de accountant en de dga diverse keren met elkaar hebben gesproken over mogelijke constructies voordat de dga bij faxbericht van 20 maart 2013 de AA heeft verzocht om over te gaan tot het verlonen van het overwerk.
Uit de handgeschreven notities komt naar het oordeel van het College al met al het beeld naar voren dat de AA geadviseerd heeft over potentieel frauduleus handelen, waardoor schuldeisers van de CV zouden kunnen worden benadeeld. Het is voldoende aannemelijk dat de accountant zich ongepast heeft laten beïnvloeden door de wens van zijn cliënt om met een (gefingeerde) tegenvordering de rekening-courantschuld van zijn cliënt aan de CV te verminderen. Met de Accountantskamer is het College derhalve van oordeel dat de AA aldus heeft gehandeld in strijd met de in artikel A-100.4, onder a en b, van de VGC neergelegde fundamentele beginselen van integriteit en objectiviteit. De stelling van de AA dat zijn doen (of nalaten) niet tot gevolg heeft gehad dat belangen van derden zijn geschonden doet daar niet aan af.


Geef een reactie